ECLI:NL:PHR:1999:AA3381
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op omgang voor erkende biologische vader in lesbische relatie
In deze zaak gaat het om het recht op omgang van een biologische en juridische vader met zijn minderjarige zoon, geboren uit een lesbische relatie waarbij de vader het kind voorafgaand aan de geboorte heeft erkend. De moeder en haar partner hadden afgesproken dat de vader beschikbaar zou zijn voor het verwekken van kinderen en dat hij geen kinderalimentatie zou betalen. Na de geboorte ontstond discussie over het recht van de vader op omgang met het kind.
De rechtbank verklaarde de vader ontvankelijk in zijn verzoek tot omgang, maar de moeder ging hiertegen in hoger beroep met het argument dat er nooit sprake was van family life en dat het contact verbroken was. Het hof verwierp dit beroep en stelde dat erkenning van het kind door de vader in principe family life creëert, en dat er geen zwaarwegende omstandigheden waren om dit te ontkennen.
De moeder kwam in cassatie met het argument dat het hof een onjuiste maatstaf hanteerde en onvoldoende rekening hield met de lesbische relatie en het ontbreken van een liefdesrelatie tussen vader en moeder. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat op grond van art. 1:377a BW en jurisprudentie het recht op omgang voor een erkende ouder in beginsel bestaat en dat het ontbreken van contact slechts in samenhang met zwaarwegende feiten tot het verbreken van family life kan leiden.
De Hoge Raad benadrukte dat de erkenning van het kind door de vader een familierechtelijke betrekking schept die rechtvaardigt dat omgang wordt toegekend, ook als de vader geen financiële verantwoordelijkheid draagt en er geen liefdesrelatie was tussen de ouders. Het hof mocht oordelen dat er geen zwaarwegende omstandigheden waren om het recht op omgang te weigeren. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en het recht van de erkende biologische vader op omgang met zijn kind wordt bevestigd.