ECLI:NL:PHR:1999:AA3382
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige intrekking van Hinderwetvergunning en aansprakelijkheid provincie Noord-Brabant
De zaak betreft het geschil tussen de provincie Noord-Brabant en [verweerster] B.V. over de intrekking van Hinderwetvergunningen voor een inrichting aan een adres te [woonplaats]. De vergunningen waren oorspronkelijk verleend in 1959 en 1963. In 1981 gaf de provincie kennis van het voornemen om deze vergunningen in te trekken, waarop [verweerster] bezwaar maakte. De provincie verklaarde deze bezwaren ongegrond en trok de vergunningen definitief in in 1992.
[Verweerster] stelde dat de intrekking onrechtmatig was en vorderde een verklaring voor recht en schadevergoeding. De bestuursrechter vernietigde het intrekkingsbesluit wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De civiele rechter oordeelde dat de provincie onrechtmatig had gehandeld en veroordeelde haar tot schadevergoeding. Het hof bekrachtigde dit oordeel deels, maar liet de beoordeling van de onrechtmatigheid van de voorbereidingshandelingen open.
De Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de onrechtmatigheid van het intrekkingsbesluit automatisch de onrechtmatigheid van de voorbereidingshandelingen impliceert. De civiele rechter moet zelfstandig beoordelen of de voorbereidingshandelingen onrechtmatig waren. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de onrechtmatigheid van de voorbereidingshandelingen en de aansprakelijkheid van de provincie voor de daardoor veroorzaakte schade.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar onrechtmatigheid voorbereidingshandelingen en aansprakelijkheid provincie.