ECLI:NL:PHR:1999:AA3796
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwezigheid wettelijke meldingsplicht euthanasie en toepassing nemo tenetur-beginsel
In deze zaak stond centraal of een arts, die euthanasie toepaste en een valse overlijdensverklaring aflegde, terecht werd veroordeeld en of de meldingsprocedure euthanasie in strijd is met het nemo tenetur-beginsel. Het hof had de arts ontslagen van rechtsvervolging voor levensberoving op verzoek wegens noodtoestand, maar veroordeelde hem voor het afgeven van een valse overlijdensverklaring.
De Hoge Raad bevestigt dat er geen wettelijke verplichting bestaat voor artsen om euthanasie te melden aan de gemeentelijke lijkschouwer. De meldingsprocedure, die oorspronkelijk vrijwillig was en later een wettelijke basis kreeg via een algemene maatregel van bestuur, verplicht alleen de lijkschouwer tot verslaglegging, niet de arts. Een wettelijke meldingsplicht zou een aparte wettelijke regeling vereisen, mede vanwege beroepsgeheim en het nemo tenetur-beginsel.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de meldingsprocedure niet in strijd is met het nemo tenetur-beginsel omdat het een controle op medisch handelen betreft en het gebruik van dergelijke verslagen in strafrechtelijke vervolging niet aan de orde was. Het recht om te zwijgen omvat niet het recht om onwaarheid te spreken of valse verklaringen af te leggen. De arts was ten tijde van het afleggen van de valse verklaring nog geen verdachte, waardoor het nemo tenetur-beginsel niet werd geschonden.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de veroordeling voor het afleggen van een valse verklaring in stand blijft en het ontslag van rechtsvervolging voor levensbeëindiging op verzoek bevestigd wordt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de arts blijft veroordeeld voor het afleggen van een valse overlijdensverklaring en is ontslagen van rechtsvervolging voor levensberoving op verzoek.