Uitspraak
[woonplaats].
26 oktober 1993.
Hoge Raad
De zaak betreft een eigenaresse van een auto die werd veroordeeld wegens het niet voldoen aan de vordering om de bestuurder van haar auto bekend te maken na een ongeval. De verdachte was primair vrijgesproken van het feit van handelen in strijd met de Wegenverkeerswet, maar subsidiair veroordeeld op grond van artikel 41 WVW Pro.
De verdachte voerde verweer dat zij niet hoefde mee te werken aan de vordering omdat zij reeds als verdachte was gehoord en op haar zwijgrecht was gewezen, waardoor de vordering in strijd zou zijn met het zwijgrecht en internationale verdragsbepalingen zoals het EVRM en IVBPR.
Het Hof verwierp dit verweer, maar de Hoge Raad oordeelde dat het Hof dit verweer niet op zijn merites had beoordeeld en dat de vordering ex artikel 41 WVW Pro niet geldt indien de eigenaar al als verdachte was gehoord en op het zwijgrecht was gewezen. De Hoge Raad vernietigde het arrest en ontsloeg de verdachte van alle rechtsvervolging.
Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens schending zwijgrecht bij vordering bestuurder bekend te maken.