ECLI:NL:PHR:1999:AA3804
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gebruik van rechtmatig verkregen bloedmonster voor klassiek bloedonderzoek toegestaan
In deze zaak stond de vraag centraal of een bloedmonster, dat op bevel van de rechter-commissaris rechtmatig was afgenomen voor een DNA-onderzoek, ook mocht worden gebruikt voor een klassiek vergelijkend bloedonderzoek zonder toestemming van de verdachte. Het hof had geoordeeld dat dit is toegestaan, tenzij sprake is van uitzonderingen die hier niet zijn vastgesteld.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad bevestigt dit oordeel. De wettelijke regeling inzake DNA-onderzoek vormt een beperking van het recht op lichamelijke integriteit, maar staat toe dat het bloedmonster ook voor een minder ingrijpend onderzoek met hetzelfde doel wordt gebruikt. Dit is in lijn met de ratio van de wet en de parlementaire geschiedenis.
Verder benadrukt de conclusie dat het klassieke bloedonderzoek minder privacygevoelig is dan DNA-onderzoek en minder mogelijkheden tot misbruik biedt. De Hoge Raad verwierp ook het middel dat het hof onvoldoende had onderzocht of art. 63 Sr Pro van toepassing was, aangezien het hof dit wel degelijk had betrokken bij de strafoplegging.
De strafmotivering van het hof werd eveneens als toereikend beoordeeld, ondanks dat het hof een gelijke gevangenisstraf oplegde als de rechtbank terwijl het hof minder bewezen achtte. De middelen van cassatie werden verworpen en het beroep afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat rechtmatig afgenomen bloedmonsters voor DNA-onderzoek ook mogen worden gebruikt voor klassiek bloedonderzoek zonder toestemming van de verdachte.