Conclusie
als advocaathebben gepleegd. Aldus schuilt er niets onbegrijpelijks in de overweging 4.2. van de beschikking. Wat overigens in die overweging is opgenomen is niet meer en niet minder dan een weergave van de opvatting van de rechtbank dat een advocaat zijn betrokkenheid bij een grootschalige fraude niet mag kunnen verstoppen achter een beroep op zijn verschoningsrecht en dat het verschoningsrecht soms moet wijken voor het opsporingsbelang. Als die advocaat een beroep doet op zijn verschoningsrecht om zijn betrokkenheid te maskeren komt het beroep de facto neer op het achterhouden van bewijsmateriaal. Dat hoeft niet te worden getolereerd als de omstandigheden maar uitzonderlijk genoeg zijn en als het belang van de waarheidsvinding, gelet mede op de rol van de advocaat en de ernst van het verwijt, zwaarder moet wegen. Dat is de kern van de gewraakte overwegingen van de rechtbank. Deze overwegingen zijn niet onbegrijpelijk en geven niet blijk van een misvatting.
in het algemeen (AM; mijn onderstreping) niet-naleving van het voorschrift van art. 23, tweede lid, Sv tot nietigheid van de behandeling en van de betrokken beschikking leidt.