Conclusie
Stb.1995, 441) heeft een groot aantal formele nietigheden geschrapt, maar heeft de nietigheid op het niet beslissen op de vorderingen en verzoeken uit 328 Sv gehandhaafd. Uitgangspunt van het betreffende wetsvoorstel 23 705 was, dat alleen die vormvoorschriften waarvan schending in alle gevallen tot nietigheid moet leiden, omdat geen geval denkbaar is waarin deze sanctie te zwaar is, dienen te worden bedreigd met formele nietigheid (Kamerstukken 1993–1994, 23 705, 3, p. 2).
tweedemiddel behelst de klacht dat het hof het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat de berechting niet heeft plaatsgehad binnen redelijke termijn, op ontoereikende gronden heeft verworpen, nu niet duidelijk is waarom tussen de datum van aanhouding op 23 april 1996 en de uitreiking van de inleidende dagvaarding op 30 december 1997 zoveel tijd is verstreken.