ECLI:NL:HR:2000:ZD2186

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 oktober 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
01746/00
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • G.J.M. Corstens
  • A.M.M. Orie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 245 Sr (oud)Art. 247 SrArt. 249.1 SrArt. 326 SvArt. 328 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 8 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping beroep wegens ontbreken beslissing op verzoek tot aanpassing proces-verbaal in ontuchtzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin verdachte is veroordeeld voor meermalen gepleegde ontucht met zijn minderjarig stiefkind en het buiten echt vleselijke gemeenschap hebben met een minderjarige. Het hof legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 8 maanden voorwaardelijk.

In cassatie werd aangevoerd dat het hof had verzuimd te beslissen op een verzoek tot aanpassing van het proces-verbaal van een eerdere terechtzitting, waardoor nietigheid zou volgen op grond van art. 326 jo Pro. 328 en 330 Sv, en dat dit verzuim tevens een schending van art. 6 EVRM Pro opleverde.

De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek tot aanpassing van het proces-verbaal geen verzoek was dat strekte tot toepassing van de genoemde wetsartikelen en dat er geen sprake was van een wettelijk met nietigheid bedreigd verzuim. Tevens werd geoordeeld dat verdachte door het achterwege blijven van een beslissing op het verzoek niet in zijn belangen was geschaad, mede omdat de vermeende onvolledigheden niet de strekking van verklaringen betroffen en later door verdachte zelf waren aangevuld.

Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van verdachte blijft in stand.

Uitspraak

24 oktober 2000
Strafkamer
nr. 01746/00
ACH/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 februari 2000 met parketnummer 22/002868-98 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op 28 december 1948, wonende te
[woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 9 september 1998 - de verdachte ter zake van 1."buiten echt vleselijke gemeenschap hebben met iemand die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien heeft bereikt, meermalen gepleegd" en 2. "ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftjd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. In het middel wordt erover geklaagd dat het Hof geen beslissing heeft genomen op een op de terechtzitting van 25 januari 2000 gedaan verzoek tot aanpassing van het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 18 mei 1999, zodat op grond van art. 326 in Pro verbinding met art. 328 en Pro 330 Sv nietigheid het gevolg is, althans art. 6 EVRM Pro is geschonden.
3.2. Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief van 17 augustus 1999 van de toenmalige raadsvrouw van de verdachte, mr. J. Goudswaard, aan de voorzitter van de strafkamer van het Hof te 's-Gravenhage. Daarin wordt verzocht dat het proces-verbaal van de terechtzitting van dat Hof van 18 mei 1999 wordt aangepast, nu de weergave van de op die terechtzitting door getuigen en de verdachte afgelegde verklaringen wellicht tot misverstanden zou kunnen leiden en een aantal passages onvolledig zouden zijn weergegeven.
De voorzitter heeft op 30 augustus 1999 op dit verzoek schriftelijk geantwoord dat de brief onvoldoende reden vormt om het proces-verbaal aan te passen. Voorts is door hem op de mogelijkheid gewezen het verzoek ter terechtzitting van 25 januari 2000 te herhalen.
De aan het proces-verbaal van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2000 gehechte pleitnotities van de verdediging houden in dat dit verzoek aldaar is herhaald. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting, noch het bestreden arrest houdt een beslissing op dit verzoek in.
3.3. Een verzoek tot aanpassing van een reeds vastgesteld proces-verbaal van het onderzoek op de terechtzitting is geen verzoek dat strekt tot toepassing van het in de toelichting op het middel genoemde art. 326, derde en vierde lid, Sv en strekt evenmin tot gebruik van een andere bevoegdheid of van een ander recht dat door de wet is toegekend. Om die reden is er geen sprake van een door de wet met nietigheid bedreigd verzuim in de zin van art.330 Sv Pro.
3.4. Op de gronden als vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 12 en 13 is evenmin sprake van schending van art. 6 EVRM Pro.3.5. Het middel faalt dus.
4.Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.M.M. Orie, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op
24 oktober 2000.