Uitspraak
[woonplaats].
24 oktober 2000.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin verdachte is veroordeeld voor meermalen gepleegde ontucht met zijn minderjarig stiefkind en het buiten echt vleselijke gemeenschap hebben met een minderjarige. Het hof legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 8 maanden voorwaardelijk.
In cassatie werd aangevoerd dat het hof had verzuimd te beslissen op een verzoek tot aanpassing van het proces-verbaal van een eerdere terechtzitting, waardoor nietigheid zou volgen op grond van art. 326 jo Pro. 328 en 330 Sv, en dat dit verzuim tevens een schending van art. 6 EVRM Pro opleverde.
De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek tot aanpassing van het proces-verbaal geen verzoek was dat strekte tot toepassing van de genoemde wetsartikelen en dat er geen sprake was van een wettelijk met nietigheid bedreigd verzuim. Tevens werd geoordeeld dat verdachte door het achterwege blijven van een beslissing op het verzoek niet in zijn belangen was geschaad, mede omdat de vermeende onvolledigheden niet de strekking van verklaringen betroffen en later door verdachte zelf waren aangevuld.
Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van verdachte blijft in stand.