ECLI:NL:PHR:2000:AA4310
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onduidelijkheid over motorrijtuig bij rijontzegging
Verdachte werd door het gerechtshof te Den Haag veroordeeld wegens rijden onder invloed van alcohol, met een geldboete of subsidiair hechtenis. Het hof legde geen bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid op omdat het arrest niet duidelijk maakte dat het voertuig een motorrijtuig was, terwijl artikel 179 WVW Pro 1994 die hoedanigheid vereist voor die straf.
De procureur-generaal stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing. De Hoge Raad overwoog dat het begrip 'motorrijtuig' in de Wegenverkeerswet 1994 een voertuig met een motor betreft, en dat de bijkomende straf van rijontzegging alleen kan worden opgelegd indien het feit met betrekking tot een motorrijtuig is begaan.
Het hof had echter nagelaten vast te stellen of het bewezen verklaarde feit met een motorrijtuig was begaan, ondanks dat uit het proces-verbaal bleek dat verdachte een personenauto bestuurde. Hierdoor was de motivering van het hof onvoldoende en onbegrijpelijk.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van de strafoplegging en motivering, met name over de vraag van de hoedanigheid van het voertuig en de oplegging van de bijkomende straf van rijontzegging.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beoordeling over de oplegging van de bijkomende straf van rijontzegging.