ECLI:NL:PHR:2000:AA4523
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over vaste inrichting en verliestoerekening bij internationale exploratieactiviteiten
X BV, onderdeel van een internationaal olieconcern, voerde exploratieactiviteiten uit in Pakistan via dochtermaatschappij E BV, die deel uitmaakt van een fiscale eenheid met X BV. De Inspecteur stelde dat het verlies op concessie W in Pakistan moet worden toegerekend aan een vaste inrichting van X BV in het Verenigd Koninkrijk of Pakistan.
Het Hof concludeerde dat er een vaste inrichting in het Verenigd Koninkrijk bestond, geleid door bestuurder M, en dat het verlies aan deze inrichting moest worden toegerekend. De Hoge Raad onderzoekt de definitie van vaste inrichting volgens het Verdrag met het Verenigd Koninkrijk en het OESO-modelverdrag, waarbij een fysieke aanwezigheid vereist is.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vaste inrichting in het Verenigd Koninkrijk een fysiek aanknopingspunt had, en dat het verlies op de concessie W eerder moet worden toegerekend aan de vaste inrichting in Pakistan, waar daadwerkelijk exploratieactiviteiten werden verricht. Het cassatieberoep wordt verworpen, ondanks dat het middel deels gegrond wordt geacht.
Uitkomst: Het cassatieberoep van X BV wordt verworpen; het verlies op concessie W wordt toegerekend aan de vaste inrichting in Pakistan en niet aan die in het Verenigd Koninkrijk.