ECLI:NL:PHR:2000:AA4607
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging alimentatieplicht en uitleg huwelijksduur voor pensioenverevening bij scheiding
De zaak betreft een geschil tussen ex-echtgenoten over de beëindiging van de alimentatieplicht en het recht op pensioenverevening. De man verzocht de rechtbank om de alimentatieplicht per 1 juli 1997 te beëindigen, terwijl de vrouw dit betwistte vanwege de ingrijpende financiële gevolgen. De rechtbank verlengde de alimentatieplicht tot 2003, maar het hof vernietigde dit en beëindigde de alimentatieplicht, stellende dat de vrouw geen inkomensachteruitgang ondervindt omdat zij kan terugvallen op een bijstandsuitkering.
Daarnaast betwistte de vrouw haar recht op pensioenverevening omdat het huwelijk niet lang genoeg zou hebben geduurd volgens de wettelijke eis van minimaal 18 jaar. De rechtbank en het hof oordeelden dat de huwelijksduur wordt berekend tot het in kracht van gewijsde gaan van de scheiding van tafel en bed, niet tot de formele echtscheidingsdatum. Dit leidde tot afwijzing van haar pensioenvereveningsvordering.
De Hoge Raad bevestigt dat het feit dat de vrouw kan terugvallen op een bijstandsuitkering niet verhindert dat de alimentatieplicht wordt beëindigd. Ook oordeelt de Hoge Raad dat de huwelijksduur voor pensioenverevening moet worden berekend tot het moment van in kracht van gewijsde gaan van de scheiding van tafel en bed, waarmee het hof terecht de vordering afwees. De cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de alimentatieplicht kan worden beëindigd ondanks bijstandsuitkering en dat de huwelijksduur voor pensioenverevening wordt berekend tot het in kracht van gewijsde gaan van de scheiding van tafel en bed.