ECLI:NL:PHR:2000:AA4871
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bewijsopdracht en bewijslastverdeling bij beëindiging arbeidsovereenkomst
De zaak betreft een geschil tussen werknemer Boulabhar en werkgever Van Steyn over de beëindiging van een arbeidsovereenkomst en de doorbetaling van loon. Boulabhar verliet zijn werk op 18 december 1996 en stelde zich beschikbaar voor werk, terwijl Van Steyn meende dat hij vrijwillig was vertrokken en niet meer wilde werken. De Kantonrechter wees de vorderingen van Boulabhar af en oordeelde dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij bereid was te werken.
Boulabhar ging in hoger beroep en stelde dat hij wel degelijk werkwillig was, maar de Rechtbank belastte hem met het bewijs hiervan over de gehele periode tot 1 oktober 1997. De Hoge Raad oordeelt dat de Rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de bewijsopdracht aan Boulabhar is opgelegd, terwijl Van Steyn de stelling betwistte dat er sprake was van een serieus aanbod tot werkhervatting.
De Hoge Raad vernietigt het tussenvonnis en wijst erop dat de verwijzingsrechter de bewijslastverdeling en de geloofwaardigheid van de stellingen opnieuw moet beoordelen. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat de feitenrechter een oordeel moet geven over de aannemelijkheid van de stellingen, hetgeen in deze procedure nog niet is gebeurd.
Uitkomst: Het tussenvonnis van de Rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere beoordeling van de bewijslevering.