ECLI:NL:HR:2000:AA4871
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Roelvink
- raadsheer Neleman
- raadsheer Heemskerk
- raadsheer Hammerstein
- raadsheer Kop
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bewijslevering bij loonvordering na beëindiging arbeidsrelatie
In deze zaak stond centraal of werknemer recht had op doorbetaling van loon nadat hij op 18 december 1996 zijn werk had verlaten en niet meer was toegelaten tot de werkplek. Werknemer stelde dat hij van het werk was gestuurd en ondanks zijn werkwilligheid niet mocht terugkeren. Werkgever betwistte dit en stelde dat werknemer vrijwillig was vertrokken en niet bereid was te werken.
De Kantonrechter wees de loonvordering af en de Rechtbank stelde werknemer in staat om bewijs te leveren dat hij daadwerkelijk was weggestuurd en niet mocht terugkeren. Werknemer stelde dat hij onbetwist had verklaard werkwillig te zijn, maar de Rechtbank vond dat hij dit nader moest bewijzen.
De Hoge Raad oordeelde dat de bewijsopdracht aan werknemer niet onjuist was en dat het aan de feitenrechter is om de geloofwaardigheid van de stellingen te beoordelen. Het cassatieberoep werd verworpen omdat de Rechtbank voldoende gemotiveerd had dat werknemer zijn werkwilligheid moest bewijzen gezien de verdeeldheid over de feiten. De zaak werd terugverwezen voor verdere beoordeling van de bewijslevering en bewijslastverdeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep van werknemer wordt verworpen en de zaak wordt terugverwezen voor verdere bewijslevering.