ECLI:NL:PHR:2000:AA4900
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het voorraadbegrip in de vennootschapsbelasting bij aandelen B BV
Belanghebbende, een vennootschap opgericht in 1986, kocht in februari 1994 alle aandelen van B BV en verkocht deze in mei 1994 met winst. B BV was een lege vennootschap zonder bezittingen of activiteiten. Belanghebbende gaf de winst uit de verkoop aan als vrijgesteld op grond van art. 13 Wet Pro Vpb 1969, maar de inspecteur rekende deze tot de belastbare winst omdat de aandelen als voorraad werden gehouden.
Het gerechtshof Amsterdam stelde de inspecteur in het gelijk en oordeelde dat de aandelen B BV als voorraad in de zin van art. 13, lid 2, Wet Vpb 1969 moesten worden aangemerkt. Belanghebbende stelde cassatie in met het middel dat alleen aandelen in zogenoemde geldzak-BV's als voorraad kunnen worden gehouden, en B BV geen geldzak-BV zou zijn.
De Hoge Raad, via de procureur-generaal, oordeelde dat het begrip voorraad in art. 13, lid 2, Wet Vpb 1969 een beperkte inhoud heeft en niet uitsluitend betrekking heeft op geldzak-BV's. Van belang is of de vennootschap bezittingen heeft die financieel risico voor de koper meebrengen. Omdat B BV geen activa had, kwalificeerden de aandelen als voorraad. Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aandelen B BV worden als voorraad aangemerkt, waardoor de winst belastbaar is.