ECLI:NL:HR:2000:AA4900
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat aandelen gehouden als voorraad niet onder deelnemingsvrijstelling vallen
In deze zaak stond centraal of aandelen in een vennootschap zonder materiële activiteiten en zonder noemenswaardige activa, gehouden door een andere vennootschap als voorraad, onder de deelnemingsvrijstelling vallen. Belanghebbende, een besloten vennootschap, had aandelen in B BV gekocht en binnen enkele maanden weer verkocht. B BV had in die periode geen activiteiten en geen bezittingen of schulden.
De Inspecteur had het voordeel uit de verkoop van deze aandelen tot de belastbare winst gerekend, omdat hij oordeelde dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing was. Het Gerechtshof Amsterdam bevestigde dit oordeel en stelde vast dat de aandelen als voorraad waren gehouden, bestemd voor de verkoop en tot het vlottende kapitaal behoorden.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verduidelijkte dat aandelen die als voorraad worden gehouden, bedoeld zijn voor verkoop en behoren tot het vlottende kapitaal, en dat dit ook geldt voor aandelen in vennootschappen zonder materiële onderneming of met uitsluitend liquide middelen. De middelen van cassatie werden verworpen, waarmee het beroep van belanghebbende werd afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt verworpen en het oordeel dat de aandelen als voorraad worden gehouden, blijft gehandhaafd.