ECLI:NL:PHR:2000:AA4944
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging arbeidsongeschiktheidsuitkering door verzekeraar na verkoop onderneming
Deze zaak betreft het geschil tussen een verzekerde cafetariahouder en zijn verzekeraar over de beëindiging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De verzekerde had een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten en meldde zich in september 1990 arbeidsongeschikt wegens voetklachten. De verzekeraar verstrekte aanvankelijk een uitkering, maar beëindigde deze per 3 december 1990 op grond van medisch advies dat de arbeidsongeschiktheid was afgenomen.
De verzekerde had zijn onderneming verkocht en zijn beroepswerkzaamheden gestaakt, wat volgens de polisvoorwaarden aan de verzekeraar het recht gaf de verzekering te beëindigen. De verzekerde betwistte dit en vorderde hernieuwde uitkering. De rechtbank wees de vordering toe, maar het hof vernietigde dit en wees de vordering af, stellende dat onvoldoende aannemelijk was dat de verzekerde op 3 december 1990 nog arbeidsongeschikt was en dat hij niet door medische noodzaak was gedwongen zijn onderneming te verkopen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de verzekeraar de uitkering mocht beëindigen. Het hof was niet gebonden aan het oordeel van de Bedrijfsvereniging en de verzekeraar had voldoende onderzoek gedaan. Klachten over tegenstrijdigheden en feitelijke aannames faalden. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verzekeraar de arbeidsongeschiktheidsuitkering per 3 december 1990 terecht heeft beëindigd.