ECLI:NL:PHR:2000:AA5263
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late indiening bij Hoge Raad
In deze zaak vordert de Gemeente terugbetaling van bijstandskosten van verzoekers over de periode van 3 september 1992 tot 1 juli 1993. Na toewijzing van dit verzoek door de Kantonrechter en bekrachtiging door de Rechtbank, komen verzoekers in cassatie bij de Hoge Raad. Het cassatierekest is echter pas op 20 mei 1999 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen, terwijl de cassatietermijn op 14 mei 1999 was geëindigd.
Verzoekers stellen dat het cassatierekest op 7 mei 1999 was ingediend, maar per abuis bij de Centrale Balie van het Paleis van Justitie te Den Haag en niet direct bij de griffie van de Hoge Raad. Zij beroepen zich op bijzondere omstandigheden en eerdere jurisprudentie waarin een verkeerd bezorgd stuk toch als tijdig werd aangemerkt vanwege een interne doorzendplicht.
De Hoge Raad oordeelt echter dat de griffie van de Hoge Raad niet onder de Centrale Balie ressorteert en dat er geen distributienet bestaat tussen deze instanties. Bovendien had de advocaat van verzoekers al ruim voor het einde van de termijn kunnen constateren dat het stuk verkeerd was ingediend. Het risico van de verkeerde indiening komt daarom voor rekening van verzoekers. Een analoge toepassing van de doorzendplicht uit de Algemene wet bestuursrecht wordt afgewezen vanwege de verplichte procesvertegenwoordiging en de organisatie van civiele griffies.
Daarom wordt het verzoek om het cassatierekest als tijdig te beschouwen ongegrond verklaard en worden verzoekers niet-ontvankelijk verklaard in hun cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het cassatierekest.