ECLI:NL:PHR:2000:AA5404
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bewijsrechtelijke aspecten bij exclusieve bemiddelingsovereenkomst en tegenbewijs
De zaak betreft een geschil tussen Meijering & Benus B.V. (M&B) en een vastgoedbedrijf over de vraag of naast een koopovereenkomst ook een exclusieve bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen. [Verweerster] stelde dat zij het exclusieve recht had om appartementen te verkopen en aanspraak maakte op een winstverdeling.
De rechtbank had uit brieven een vermoeden afgeleid dat een bemiddelingsovereenkomst bestond, waarna M&B werd toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Het hof Leeuwarden oordeelde echter dat het bewijs ontoereikend was om het vermoeden te ontzenuwen en wees de zaak toe aan schadestaatprocedure.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof vanwege een onjuiste bewijswaardering, met name ten aanzien van de bewijskracht van partijgetuigenverklaringen en de uitleg van tegenbewijs. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het hof onterecht niet heeft beslist over de rechtsgevolgen van een overdracht van het project aan een derde.
De zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling, waarbij het hof opnieuw moet beoordelen of M&B geslaagd is in het leveren van tegenbewijs tegen het bestaan van de exclusieve bemiddelingsovereenkomst.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van de artikelen 177, 178 en 213 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering omtrent bewijsvermoedens, tegenbewijs en bewijskracht van partijgetuigenverklaringen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde bewijswaardering en beoordeling van rechtsgevolgen.