ECLI:NL:PHR:2000:AA5650
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsrechtelijke vordering inzake vergoeding niet-genoten vakantiedagen en roostervrije dagen
De zaak betreft een arbeidsrechtelijk geschil tussen [eiser] en Tebecon B.V. over een rekening-courantverhouding en vorderingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, waaronder vergoeding van niet-genoten vakantiedagen en roostervrije dagen. De arbeidsovereenkomst werd beëindigd op of omstreeks 7 januari 1994.
De rechtbank Breda oordeelde dat de vorderingen op niet-genoten vakantiedagen en roostervrije dagen waren verjaard volgens de korte verjaringstermijn van artikel 7A:1638ll BW (oud). Het hof verklaarde het hoger beroep van [eiser] niet-ontvankelijk en verwees de zaak terug naar de rechtbank.
De Hoge Raad stelt dat de rechtbank ten onrechte de korte verjaringstermijn van artikel 7A:1638ll BW (oud) van toepassing heeft verklaard op niet-genoten roostervrije dagen. Volgens het arrest van 6 februari 1998 is deze korte verjaringstermijn niet van overeenkomstige toepassing op roostervrije dagen en is analoge toepassing uitgesloten uit oogpunt van rechtszekerheid.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het beroep van [eiser] op artikel 6:131 BW Pro terecht is, omdat deze bepaling een uitzondering vormt op de verrekening bij verjaring. De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling, met name om te beoordelen of en tot welk bedrag de vordering van [eiser] toewijsbaar is.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het vonnis vernietigd en de zaak verwezen naar het hof voor verdere behandeling.