ECLI:NL:PHR:2000:AA5782

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 april 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/006HR
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:685 BWArt. 426a Rv
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van werkgever in cassatie wegens ontbreken advocaatondertekening

Hermans-Maasdal B.V. was in een arbeidsrechtelijke procedure betrokken waarbij een werknemer, Gielkens, bij de kantonrechter te Heerlen ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst had verzocht. De kantonrechter had dit verzoek toegewezen en een vergoeding van ƒ 200.000 toegekend aan Gielkens. Hermans-Maasdal ging hiertegen in hoger beroep bij de rechtbank te Maastricht, die het beroep verwierp.

Vervolgens stelde Hermans-Maasdal beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Dit cassatieverzoekschrift was echter uitsluitend ondertekend door de directeur van Hermans-Maasdal en niet door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals voorgeschreven in art. 426a Rv.

De procureur-generaal concludeerde dat er geen wettelijke uitzondering bestaat op de eis van ondertekening door een advocaat, ook niet bij klachten over schending van grondwettelijke rechten en fundamentele rechtsbeginselen. Daarom moest het cassatieberoep niet-ontvankelijk worden verklaard.

De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde het beroep van Hermans-Maasdal niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van de vereiste advocaatondertekening.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Hermans-Maasdal B.V. wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van advocaatondertekening.

Conclusie

Nr. R 00/006 HR Mr. Mok
(ontbinding a.o.) Conclusie inzake
Parket, 26 januari 2000 HERMANS-MAASDAL B.V.
Edelhoogachtbaar college,
1. Gielkens, een werknemer van verzoekster van cassatie, Hermans-Maasdal B.V, heeft de kantonrechter te Heerlen verzocht om ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst met Hermans-Maasdal.
Na een tussenbeschikking heeft de kantonrechter bij beschikking van 21 mei 1999 het verzoek ingewilligd, onder toekenning van een vergoeding ten laste van Hermans-Maasdal aan Gielkens van ƒ 200.000.
2. Van deze uitspraak is Hermans-Maasdal in appel gekomen bij de rechtbank te Maastricht.
Omdat de kantonrechter volgens verzoekster art. 7:685 BW Pro buiten toepassing had gelaten of buiten het toepassingsgebied van dat artikel was getreden, heeft de rechtbank Hermans-Maasdal ontvankelijk in haar beroep geacht.
Bij beschikking van 11 november 1999 heeft de rechtbank het hoger beroep verworpen.
3. Hermans-Maasdal heeft tegen deze beschikking (tijdig) beroep in cassatie ingesteld bij een op 11 januari 2000 bij de Hoge Raad ingekomen schriftuur, getekend door “[…], directeur”.
4. Cassatieverzoekschriften dienen ingevolge art. 426a Rv ondertekend te worden door een advocaat bij de Hoge Raad, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit1.
5. Het (uitsluitend) door de directeur van verzoekster getekende cassatierekest klaagt over schending van grondwettelijke rechten en van fundamentele rechtsbeginselen (waaronder van de beginselen van hoor en wederhoor, van onpartijdige behandeling, dat het bewijs een essentieel onderdeel is van het recht en van de motiveringsplicht).
Bij mijn weten bestaat geen bijzondere wettelijke bepaling waaruit voortvloeit dat een cassatieverzoekschrift dat zodanige klachten bevat niet ondertekend behoeft te zijn door een advocaat. Bijgevolg kan verzoekster niet in haar beroep worden ontvangen.
6. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.