ECLI:NL:PHR:2000:AA5959
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigverklaring huwelijk wegens geestesstoornis en erfrechtelijk belang als onmiddellijk rechtsbelang
In deze zaak stond de vraag centraal of een erfrechtelijk belang kan worden aangemerkt als een onmiddellijk rechtsbelang in de zin van artikel 1:69 lid 1 sub c BW Pro, en of dit voldoende is voor ontvankelijkheid in een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk. De echtgenote was bij het sluiten van het huwelijk dement en niet in staat haar wil te bepalen. Verweersters, die erfgenamen zouden zijn bij nietigverklaring, verzochten de nietigverklaring van het huwelijk.
De rechtbank en het hof verklaarden verweersters ontvankelijk, waarbij het hof oordeelde dat het erfrechtelijk belang als onmiddellijk rechtsbelang moet worden beschouwd. Verzoeker stelde dat het erfrechtelijk belang slechts een financieel belang is en niet als reeds verkregen en dadelijk belang kan gelden, omdat het pas ontstaat na nietigverklaring.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat een erfrechtelijk belang ook retrospectief kan gelden als onmiddellijk rechtsbelang, zonder dat het ten tijde van het huwelijk reeds een aanspraak betrof. Tevens werd geoordeeld dat een zuiver financieel belang niet uitsluit dat het als onmiddellijk rechtsbelang kan gelden in deze context.
Hiermee werd bevestigd dat bloedverwanten die bij nietigverklaring erfgenamen worden, ontvankelijk zijn in hun verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk vanwege hun erfrechtelijke belang.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en het erfrechtelijk belang werd erkend als onmiddellijk rechtsbelang voor nietigverklaring van het huwelijk.