ECLI:NL:PHR:2000:AA6298
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad beslist over geslachtsnaam bij erkenning van kind onder nieuw naamrecht
De zaak betreft een geschil over de geslachtsnaam van een kind dat door de vader erkend wordt. De moeder was bereid tot erkenning mits het kind haar geslachtsnaam behoudt. De rechtbank had bepaald dat het kind de naam van de vader zou dragen, maar het hof vernietigde dit en wees het verzoek van de vader af.
De vader stelde cassatie in tegen het hofarrest, terwijl de moeder incidenteel cassatieberoep instelde. De Hoge Raad oordeelde dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden door het verzoek van de vader af te wijzen. Volgens het nieuwe naamrecht (art. 1:5 lid 2 BW Pro) behoudt het kind de naam van de moeder, tenzij ouders gezamenlijk anders verklaren bij erkenning.
De Hoge Raad concludeerde dat de moeder geen bezwaar had tegen erkenning mits de geslachtsnaam van het kind niet verandert. Daarom slaagde het incidentele middel en verloor het principale middel zijn belang. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en gelastte de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van erkenning op te maken en bij te voegen aan de geboorteakte.
De zaak illustreert de toepassing van het nieuwe naamrecht dat sinds 1 januari 1998 geldt, waarbij de familierechtelijke betrekking met beide ouders ontstaat bij erkenning en ouders gezamenlijk kunnen beslissen over de geslachtsnaam van het kind.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en gelast erkenning van het kind met behoud van de geslachtsnaam van de moeder.