ECLI:NL:PHR:2000:AA6310
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing en intrekking van de taxivrijstelling voor reservetaxi's onder de Wet motorrijtuigenbelasting
De zaak betreft de toepassing van de taxivrijstelling op reservetaxi's onder de Wet op de motorrijtuigenbelasting (Wet MRB) 1966 en 1994. X BV exploiteert een taxionderneming met vaste taxi's en reservetaxi's waarvoor vrijstellingsvergunningen waren verleend. De Inspecteur trok deze vergunningen in per 1 augustus 1991, met het argument dat reservetaxi's niet voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling omdat zij geen zelfstandig vergunningbewijs, maar slechts een aanhangsel bij een vergunningbewijs bezitten.
Het Hof vernietigde de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag die volgde op het gebruik van de reservetaxi zonder vooraf betaalde motorrijtuigenbelasting. De Hoge Raad werd gevraagd hierover te oordelen. De conclusie van de Advocaat-Generaal stelt dat de intrekking van de vrijstellingsvergunningen onterecht was, omdat het beleid van het Openbaar Lichaam Taxivervoer Amsterdam e.o. (OLT AZAM) om voor reservetaxi's aanhangsels te verstrekken in plaats van vergunningbewijzen rechtsgeldig is en het aanhangsel als vergunningbewijs moet worden aangemerkt voor de motorrijtuigenbelasting.
Daarnaast oordeelt de conclusie dat bezwaar en beroep tegen de intrekking van de vergunningen niet openstonden, omdat de Wet MRB 1966 geen rechtsmiddelen tegen intrekking van vrijstellingsvergunningen voorzag. Echter, belanghebbenden konden hun grieven kwijt in bezwaar tegen naheffingsaanslagen. Het verzoek om opnieuw een vrijstellingsvergunning aan te vragen na intrekking is onredelijk. De Hoge Raad concludeert dat de taxivrijstelling voor reservetaxi's kan worden toegepast en dat de zaak in bezwaar en beroep tegen de naheffingsaanslag volledig kan worden beoordeeld.
Uitkomst: De intrekking van de vrijstellingsvergunningen voor reservetaxi's was onterecht, maar bezwaar en beroep tegen die intrekking stonden niet open; de taxivrijstelling blijft van toepassing.