ECLI:NL:PHR:2000:AA6312
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling recht op taxivrijstelling motorrijtuigenbelasting voor reservetaxi's
De zaak betreft de toepassing van de taxivrijstelling in de motorrijtuigenbelasting (MRB) voor reservetaxi's, waarbij belanghebbende houder is van twee taxi's waarvan slechts één vergunningbewijs is afgegeven en de andere als reservetaxi met een aanhangsel wordt aangeduid.
Het hof had geoordeeld dat de vrijstelling niet geldt voor de reservetaxi in de variant waarbij twee taxi's naast elkaar, maar niet gelijktijdig, worden ingezet. De Hoge Raad stelt dat het beleid van het vergunningverlenend orgaan, het Openbaar Lichaam Taxivervoer Amsterdam e.o., om voor een reservetaxi een aanhangsel af te geven in plaats van een zelfstandig vergunningbewijs, niet ter beoordeling staat van de inspecteur of rechter.
De Hoge Raad oordeelt dat het aanhangsel als vergunningbewijs moet worden aangemerkt voor de toepassing van de taxivrijstelling en dat het hof zijn uitspraak moet vernietigen. Tevens wordt overwogen dat de inspecteur de vrijstellingsvergunningen ten onrechte heeft ingetrokken, maar dat belanghebbenden tegen die intrekking geen bezwaar en beroep konden instellen vanwege het gesloten stelsel van fiscale rechtsmiddelen.
De zaak benadrukt de ruime beleidsvrijheid van provincies bij het taxibeleid en bevestigt het belang van het feitelijk-gebruikcriterium voor de vrijstelling. De Hoge Raad beveelt aan dat de inspecteur een nieuwe beschikking moet nemen die terugwerkt tot de datum van het oorspronkelijke verzoek om vrijstelling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en bepaalt dat het aanhangsel bij een taxivergunningbewijs als vergunningbewijs geldt voor de motorrijtuigenbelastingvrijstelling.