ECLI:NL:PHR:2000:AA7199
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Eigendom en onderhoudsplicht van Friese kerktorens volgens Staatsregeling 1798 en 1801
In deze zaak staat centraal wie eigenaar is van een drietal kerktorens op het Friese platteland: de hervormde gemeenten die de torens in gebruik hebben, of de burgerlijke gemeenten binnen wier grondgebied de torens staan. De rechtbank wees de vordering van de hervormde gemeenten af, stellende dat deze hun recht tot vordering tot onderhoud hadden verwerkt. Het hof bevestigde dit oordeel en erkende de hervormde gemeenten als eigenaars op grond van art. XIII van de Staatsregeling van 1801 en bezit volgens art. 3:109 BW Pro.
De Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat art. XIII van de Staatsregeling van 1801 de eigendom van de kerktorens regelt, terwijl dit artikel slechts de toestand van 1 januari 1801 bevriest. De eigendomsoverdracht aan burgerlijke gemeenten volgt uit art. VI van de Staatsregeling van 1798, waarin kerktorens expliciet eigendom van burgerlijke gemeenten worden verklaard. Het hof heeft ook ten onrechte de hervormde gemeenten niet toegelaten tot tegenbewijs tegen het vermoeden van eigendom door bezit.
De Hoge Raad benadrukt de historische context waarin kerktorens een publieke functie hadden en dat de eigendom van kerktorens door burgerlijke gemeenten is gebleven, tenzij anders door verkrijgende verjaring of overdracht. Omdat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het tegenbewijs niet werd toegelaten en de eigendomsvraag niet duidelijk heeft beantwoord, wordt het arrest vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Arnhem voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Arnhem voor verdere behandeling.