1. NJ 1999, 487, JOR 1999, 121, m.nt. L.L.M. Prinsen.
2. Aldus de OK in haar bestreden beschikking (ro. 2.2.), waarmee zij waarschijnlijk de drie verweersters in cassatie in zaak A tezamen, maar meer in het bijzonder de Nederlandse vennootschap, dus verweerster sub 3 in zaak A, bedoelt.
3. Naar valt aan te nemen mede naar aanleiding van de beschikking in deze zaak van de OK van 3 maart 1999.
4. Bestreden beschikking, ro. 3.2.
5. De Vereniging van Effectenbezitters, de Association pour la Dfense des actionnaires minoritaires en Luc A. Barral.
6. Hierbij verwijst het middel naar HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 (Ogem), m.nt. J.M.M. Maeijer en naar Rechtspersonen, losbl. (C.A. Boukema), aant 2 (slot) bij art. 2:350.
7. Nr. 6, p. 4-7; citaat: ' 6.2., p. 5.
8. Beschikkingen van 3 maart 1999, 22 maart 1999 en 27 april 1999..
9. Cursiveringen toegevoegd.
10. Stbl. 1970, 414. Zie ook het besluit van 30 oktober 1970, Stbl. 1970, 533, art. 2.
11. Herziening van het enquêterecht, 10 september 1970 (Stbl. 1970, 411), inwerkingtredingbesluit Stbl. 1970, 532. Zie over de wetsgeschiedenis mijn conclusie bij de in noot 5 genoemde beschikking van de HR in de zaak-Ogem, ' 7.2.1., NJ 1990, p. 1871 rk-1873 lk.
12. Zie hierover bijv. v.v. II, kamerst. [1968-1969], 9595, 9596, p.14 en handelingen II [1969-1970], 8 april 1970, p. 2908.
13. Commissie Herziening van het ondernemingsrecht ingesteld bij beschikking van de minister van Justitie van 8 april 1963 (zie p. 8, 16, 66, 70 en 73 van het Rapport van deze commissie (1965).
14. Kamerst. [II 1968-1969], 9595, 9596, p. 15, bovenaan.
15. Zie ook de m.v.t., kamerst. nr 3, p. 5 Zie voorts de beschrijving van de enquêteprocedure door de minister in de m.v.t. bij wetsontwerp op kamerst. 9596, p. 6, gegeven naar aanleiding van vragen hieromtrent van de SER en v.v. II, kamerst. nr. 5, p.19, lk. bovenaan. Verder: handelingen I, 7 april 1970,I de heer Nederhorst p. 2869, de heer Boertien, p. 2873 en minister Polak (8 april 1970), p. 2903.
16. M.v.t., p. 9 en v.v .II, p. 6 (een en ander: hiervóór, noot 12).
17. Cassatierekest, ' 1.4., p. 4.
18. V.v. II (zie noot 12), p. 19 onder "Verspreide opmerkingen".
19. M.v.a. II, kamerst. [1968-1969], 9595, 9596, p. 15.
20. Voor de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5: Stbl. 1976, 229, voor de hoofdstukken 1 en 6, Stbl. 1976, 228.
21. Wet van 10 november 1988 tot invoering van een geschillenregeling in besloten vennootschappen en bepaalde naamloze vennootschappen (Stb. 1988, 516).
22. Wet van 8 november 1993, Stb. 1993, 597, gewijzigd bij de wet van 19 april 1999.
23. M.v.t., kamerst [II 1991-1992], 22 400, nr. 3, p. 6.
24. Om voorlopige voorzieningen.
25. Zie de m.v.t., kamerst. [II 1997-1998], 25 732, nr 3, p. 7.
26. Van der Grinten, Handboek, 1992, nr. 367, p. 645 e.v.; Asser-Maeijer, 1994, p. 763, nr 533; Van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, 1998, nr. 123, p. 318; Sanders/Westbroek/Buijn/Storm,BV en NV,1998, nr. 11.1.5.,p. 285;Pitlo/ Raaijmakers, Vennootschaps- en rechtspersonenrecht, 2000, nr. 10.40, p. 485 e.v. en Rechtspersonen, losbl., aant. 3 op art. 355, p. 355-7 (C.A. Boukema).
27. Sanders/Westbroek/Buijn/Storm, a.w., ' 11.1.5.3., 2.88.
28. Vgl. handelingen II, 4 mei 1993, p. 65-4668 en p. 65-4670.
29. Zie handelingen II, 7 april 1970 (ad kamerst.9595, 9596), p. 2880 (vraag van mevrouw Goudsmit) en 8 april 1970, p. 2906 (antwoord minister).
30. M.v.t., kamerst. [II 1979-1980], 16 326, nr. 3, p. 41
31. Verweerschrift in cassatie, tevens houdende een incidenteel verzoek tot cassatie, algemene opmerking bij onderdeel 6 van het incidenteel voorgestelde middel, p. 19.
32. Verzoekschrift in cassatie, nr. C.3., p. 23.
33. Vgl. het hiervóór in ' 4.3.1., gegeven citaat.
34. Een soortgelijke klacht is terug te vinden in onderdeel 3 van de incidentele cassatiemiddelen van PPR en Gucci Group N.V.
35. Zie: het verzoek tot het instellen van een enquête van LVMH van 25 februari 1999, het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex art. 2:39a lid 2 BW van LVMH van 25 februari 1999, p. 13 e.v., aanvullend verzoekschrift voorlopige voorzieningen, van LVMH van 19 maart 1999, p. 4 e.v., de pleitaantekeningen van LVMH van 22 maart 1999 met daarin het gewijzigde verzoek tot voorlopige voorzieningen, p.22 e.v., aanvullend verzoekschrift LVMH van 22 april 1999, p. 21 e.v., 25 e.v. en p. 28 (conclusie), pleitaantekeningen LVMH d.d. 3 maart 1999 o.a. p. 22 onderaan, pleitaantekeningen LVMH d.d. 22 april 1999, p. 18, p. 24, p. 27, pleitaantekeningen LVMH d.d. 22 april 1999 (mr Storm), p. 9 e.v.;
verweerschrift PPR c.s. van 22 maart 1999, p. 1 en 2, pleitaantekeningen PPR c.s. d.d. 22 maart 1999, p. 6, p. 10 verweerschrift PPR en PPR Nederland van 22 april 1999, p. 9, p. 10 en p. 13
pleitnotities PPR d.d. 22 april 1999, p. 10, p. 12;
verweerschrift Stichting tegen voorlopige voorzieningen d.d. 1 maart 1999, p 7 e.v., verweerschrift Stichting tegen enquête d.d. 19 april 1999, p. 5 e.v., pleitnotities Stichting en Gucci Holdings B.V. d.d. 22 april 1999, p. 1 onder 2;
verweerschrift Gucci Group N.V. (mr. Wakkie/mr. Crans), m.n. conclusie p. 9, verweerschrift tegen voorlopige voorzieningen tevens voorwaardelijk tegenverzoek Gucci Group N.V. d.d. 1 maart 1999, p. 19, onder nr 8 en 10, pleitnotities d.d. 3 maart 1999 namens Gucci Group N.V.(mr. Wakkie), p. 8 onder 5 en p. 9 onder 7, pleitnotities d.d. 3 maart 1999 namens Stichting en Gucci Holding B.V. (mr. Boele), p. 8, pleitnotities d.d. 22 maart 1999 namens Gucci (mr. Wakkie), p. 5 onder 13 e.v., pleitnotities d.d. 22 april 1999, namens Gucci Group N.V. (mr. Wakkie), p. 1, p. 9, p. 10.
36. Zie verzoekschrift tot cassatie Stichting c.s. onder 1.5, verweerschrift tevens houdende incidenteel verzoek tot cassatie van PPR c.s. en idem Gucci Group N.V., nr. 33, p. 14, nrs. 67- 68, p. 29-30.
37. Deze belanghebbenden zijn niet als zodanig bij het geding in cassatie betrokken; zie noot 6.
38. Roo. 3.15 en 3.16 van de bestreden beschikking.