ECLI:NL:PHR:2000:AA7833
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over ondernemerschap en winst uit onderneming bij voortijdige staking veehouderij
Deze zaak betreft de fiscale kwalificatie van een vergoeding van 250.000 gulden die belanghebbende ontving nadat de pachtovereenkomst van een veehouderij niet werd verlengd. Belanghebbende was in de plaats van zijn vader als pachter gesteld en wilde het bedrijf voortzetten, maar door de afwijzing van de pachtverlenging moest het bedrijf worden gestaakt.
De Inspecteur rekende de vergoeding tot het belastbaar inkomen als winst uit onderneming. Het Hof Leeuwarden bevestigde dit oordeel, waarna belanghebbende cassatie instelde. De Hoge Raad analyseerde uitgebreid het begrip ondernemerschap in de inkomstenbelasting, waarbij ook de betekenis van voorbereidingshandelingen en de subjectieve en objectieve onderneming werden besproken.
De Hoge Raad concludeerde dat belanghebbende door de overname van de pachtrechten en zijn intentie om het bedrijf voort te zetten, als ondernemer moest worden aangemerkt. De vergoeding van 250.000 gulden was dan ook terecht als winst uit onderneming beschouwd. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat deze vergoeding niet als stakingswinst kon worden aangemerkt, maar wel als een voordeel behaald met of bij het staken van de onderneming, waardoor het bijzondere tarief niet van toepassing was.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de ontvangen vergoeding van 250.000 gulden winst uit onderneming is en geen stakingswinst vormt.