Belanghebbende voerde een klusbedrijf en ontwikkelingswerkzaamheden uit, waaronder de ontwikkeling van een insectenvanger. De Inspecteur kwalificeerde de klusactiviteiten als resultaat uit overige werkzaamheden en de ontwikkelingsactiviteiten niet als bron van inkomen. Belanghebbende stelde dat beide activiteiten ondernemingen vormden en dat hij recht had op zelfstandigenaftrek en speur- en ontwikkelingsaftrek.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het niet eerst schriftelijk in gebreke stellen van de Inspecteur, maar behandelde het beroep inhoudelijk en verklaarde het ongegrond. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het hof.
Het hof oordeelde dat de klus- en ontwikkelingsactiviteiten onvoldoende samenhang vertoonden om als één onderneming te worden gezien, maar dat beide afzonderlijk als ondernemingen kwalificeerden. De klusactiviteiten vormden een bron van inkomen en voldeden aan het urencriterium. De ontwikkelingsactiviteiten vormden ook een bron van inkomen omdat redelijkerwijs winst kon worden verwacht, ondanks het ontbreken van gerealiseerde winst in 2011.
Belanghebbende had in totaal ruim 1.200 uren aan beide ondernemingen besteed, maar niet de vereiste 500 uren aan speur- en ontwikkelingswerk. Het hof vernietigde de aanslag en uitspraak van de Inspecteur, stelde het verlies uit werk en woning vast op € 3.214, en veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten.