ECLI:NL:PHR:2000:AA8360
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van proefomgangsregeling en bevoegdheid gezinsvoogdij-instelling tot invulling omgangsregeling
In deze zaak staat de omgangsregeling tussen een moeder en haar kind centraal. De moeder had een verzoek ingediend tot een omgangsregeling die frequenter en uitgebreider was dan de bestaande proefomgangsregeling, die onder begeleiding plaatsvond. Het hof had de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd waarbij de omgang onder begeleiding en met waarborging van de veiligheid van het kind moest plaatsvinden. Het hof vond dat een concrete regeling op dat moment niet in het belang van het kind was en gaf de gezinsvoogdij-instelling de vrijheid om de omgang nader in te vullen.
De moeder stelde in cassatie dat het hof het beslissingsmodel van artikel 1:377a BW niet juist had toegepast en dat het hof óf een concrete regeling had moeten vaststellen óf het recht op omgang had moeten ontzeggen. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat onder bepaalde omstandigheden het gerechtvaardigd kan zijn geen concrete omgangsregeling vast te stellen.
Voorts stelde de moeder dat het hof de artikelen 6 en 8 EVRM had geschonden door het recht op omgang toe te vertrouwen aan de gezinsvoogdij-instelling, die geen onafhankelijk gerecht is. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet het geval is, omdat de instelling slechts de vrijheid krijgt om de omgang nader in te vullen en de moeder zich zo nodig opnieuw tot de rechter kan wenden. Het belang van het kind prevaleert in deze situatie.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de beslissingen van het hof en de kinderrechter.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft terecht geen concrete omgangsregeling vastgesteld en de gezinsvoogdij-instelling mag de invulling van de omgang bepalen.