ECLI:NL:HR:2000:AA8360
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- P.C. Kop
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgangsrecht moeder met minderjarige ondanks aanhouding concrete regeling
De moeder verzocht bij de Kinderrechter een omgangsregeling met haar minderjarige dochter vast te stellen. De Kinderrechter stelde een proefomgangsregeling in april 1997 vast, maar beëindigde deze in december 1997 en hield verdere beslissingen aan.
De moeder ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat in oktober 1998 de beschikking van de Kinderrechter bekrachtigde en het recht op omgang bevestigde, maar de concrete regeling aan de voogdij-instelling overliet. De moeder stelde hiertegen beroep in cassatie in.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de beslissing over de concrete omgangsregeling aanhield in afwachting van nader onderzoek, omdat het forceren van een regeling nadelig zou zijn voor de geestelijke ontwikkeling van het kind. Het hof heeft het recht op omgang bevestigd en de voogdij-instelling de taak gegeven de frequentie, plaats en tijd van de omgang nader aan te geven, zonder daarmee het recht van de moeder te ontzeggen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de voogdij-instelling geen onafhankelijk gerecht is, maar dat het hof terecht heeft gehandeld binnen de grenzen van artikel 1:377a BW. De beslissing is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het recht van de moeder op omgang met haar dochter, maar keurt het aanhouden van de concrete omgangsregeling door het hof goed.