ECLI:NL:PHR:2000:AA8563
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens niet-tijdige indiening van middelen van cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door het openbaar ministerie tegen een vrijspraak van de arrondissementsrechtbank te Zwolle. De officier van justitie stelde op 16 april 1998 beroep in cassatie in, maar diende de schriftuur met het middel pas op 10 juli 1998 in, terwijl dit binnen een maand na het instellen van het beroep had moeten gebeuren. De stukken van het geding kwamen op 26 november 1999 bij de griffie van de Hoge Raad binnen, na de inwerkingtreding van nieuwe strafvorderlijke bepalingen op 1 juni 1999.
De Hoge Raad overweegt dat op grond van overgangsrecht de oude bepalingen van toepassing zijn, omdat de termijn voor het indienen van de schriftuur vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet is verstreken. Hierdoor is het recht op cassatieberoep door het openbaar ministerie verloren gegaan en kan dit niet worden hersteld. De Hoge Raad wijst erop dat termijnen voor het indienen van rechtsmiddelen van openbare orde zijn en niet kunnen worden herleefd door een kennelijke vergissing van de griffie.
Alternatieve interpretaties van het overgangsrecht worden besproken, maar deze leiden niet tot een ander oordeel. De conclusie is dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet-tijdige indiening van de schriftuur.