ECLI:NL:PHR:2000:AA8849
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ongelijkheid in aftrek studiekosten tussen uitwonende en thuiswonende studenten
In deze zaak stond centraal de vraag welk deel van studiekosten een uitwonende student als buitengewone last mag aftrekken volgens de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964). De belanghebbende, een uitwonende student, ontving een basisbeurs van fl. 5.100,- en maakte studiekosten van fl. 6.803,-. Volgens de Wet IB 1964 mocht zij slechts fl. 1.507,- aftrekken, terwijl bij een thuiswonende student dit bedrag veel hoger zou zijn geweest, namelijk fl. 5.107,-.
Het Hof oordeelde dat deze regeling in strijd was met het discriminatieverbod uit artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en kende de belanghebbende de hogere aftrek toe. De staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad overwoog dat het verschil in aftrek tussen uitwonende en thuiswonende studenten voortkomt uit de samenstelling van de basisbeurs, waarbij het hogere bedrag voor uitwonenden mede een vergoeding voor meerkosten van levensonderhoud bevat. De regeling houdt rekening met dat deel van de beurs dat niet op de student drukt, maar de wijze waarop dit wordt toegepast leidt tot ongelijke behandeling.
De Hoge Raad bevestigt dat de regeling inderdaad leidt tot ongelijke behandeling tussen uitwonende en thuiswonende studenten en dat het Hof terecht deze discriminatie heeft opgeheven. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de uitspraak van het Hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt verworpen, waarmee de ongelijkheid in aftrek studiekosten tussen uitwonende en thuiswonende studenten wordt bevestigd.