ECLI:NL:PHR:2000:AA9042
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt gezamenlijke gezagsuitoefening en verblijfplaats kind na echtscheiding
In deze zaak staat de vraag centraal wie de gewone verblijfplaats van het kind krijgt na echtscheiding, terwijl de ouders gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen. De rechtbank had bepaald dat het kind bij de vader zou verblijven, ondanks het advies van de Raad voor de Kinderbescherming dat de moeder beter bij de behoeften van het kind aansloot. De moeder ging hiertegen in hoger beroep, waarna het hof de verblijfplaats bij de moeder bepaalde.
De vader stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat het bepalen van de gewone verblijfplaats van het kind een nevenvoorziening is die de rechter kan treffen, ook als het gezamenlijke gezag wordt voortgezet. De rechtbank en het hof hebben dit binnen hun bevoegdheid gedaan. Tevens is bevestigd dat gezamenlijke gezagsuitoefening na echtscheiding de hoofdregel is en eenhoofdig gezag de uitzondering.
De klachten van de vader dat de rechtbank en het hof onjuist hebben gehandeld, werden verworpen. De waardering van deskundigenrapporten en het oordeel over het belang van het kind zijn voorbehouden aan de feitenrechter en kunnen in cassatie niet worden getoetst. Het beroep in cassatie is daarom verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader is verworpen; het hofbesluit dat het kind bij de moeder verblijft met gezamenlijk gezag blijft van kracht.