ECLI:NL:HR:2000:AA9042
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- R. Herrmann
- A.E.M. Van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- O. de Savornin Lohman
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter tot vaststelling gewone verblijfplaats bij gezamenlijk gezag na echtscheiding
In deze zaak verzocht de vader bij de Rechtbank Almelo de echtscheiding uit te spreken en hem met uitsluiting van de moeder het gezag over het minderjarige kind toe te wijzen. De moeder verzocht zelfstandig om alleen met het gezag belast te worden. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en bepaalde voorlopig gezamenlijk gezag met verblijfplaats bij de vader. De moeder stelde hoger beroep in tegen de omgangsregeling en later ook tegen de verblijfplaatsbeslissing.
Het Gerechtshof Arnhem wijzigde de verblijfplaats van het kind naar de moeder en stelde een omgangsregeling voor de vader vast. De vader stelde hiertegen beroep in cassatie in. In cassatie werd onder meer betoogd dat de rechter niet bevoegd zou zijn de gewone verblijfplaats vast te stellen als nevenvoorziening bij gezamenlijk gezag en dat het hof de beschikking over het gezag ambtshalve had moeten vernietigen.
De Hoge Raad oordeelde dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de gewone verblijfplaats van het kind bij gezamenlijk gezag wel degelijk bestaat als nevenvoorziening op grond van art. 827 Rv Pro. en art. 1:253a BW. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat de rechter niet verplicht is het gezag aan één ouder toe te wijzen indien beide ouders afzonderlijk daarom verzoeken; het belang van het kind staat centraal. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de rechter bevoegd is de gewone verblijfplaats van het kind vast te stellen bij gezamenlijk gezag.