Conclusie
tweedemiddel klaagt erover dat uit de voor de bewezenverklaring van feit 3 gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat verzoeker een van misdrijf afkomstige bromfiets in de zin van art. 416 lid 1 onder Pro a Sr ‘voorhanden heeft gehad’. Daartoe wordt gesteld dat voor zulk ‘voorhanden hebben’ een feitelijke zeggenschap over het goed is vereist, terwijl het bewezenverklaarde handelen van verzoeker - achterop de door een ander bestuurde (gestolen) bromfiets springen - zulke feitelijke zeggenschap niet oplevert.