Conclusie
eerstemiddel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens een te verwachten schending van het specialiteitsbeginsel.
U.S. v. Lazarevich(147
F3d 1061, CA9 1998) aangegeven waarom het te verwachten valt dat in de Verenigde Staten, bij het bepalen van de op te leggen straf de opgeëiste persoon, ook zal worden gelet op de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij strafbare feiten waarvoor de uitlevering ontoelaatbaar is verklaard. Voor de ontoelaatbaarheid hiervan wordt aangeknoopt bij een beslissing van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens inzake Zegwaard, waarin de Commissie uitmaakte dat de in art. 6, tweede lid ECRM gewaarborgde praesumptio innocentiae (van beide klagers) was geschonden doordat bij de straftoemeting rekening was gehouden met niet tenlastegelegde en kennelijk niet door klagers erkende strafbare feiten (ECRM 9 september 1998; zie E. Myjer, Zegwaard en de vervuilende strafmaatoverweging (2),
NJCM-Bulletin1999, blz. 675-679). Bij
Zegwaardmoet overigens worden bedacht dat het in die zaak ging om feiten, waarvan het bewijs niet wettig tot stand was gekomen.
Uitlevering, 1988, blz. 122). Daarom biedt het specialiteitsbeginsel op zichzelf de Nederlandse rechter geen grondslag om een gevraagde uitlevering ontoelaatbaar te verklaren uit vrees dat de opgeëiste persoon zal worden gestraft of anderszins in zijn vrijheid zal worden beperkt ter zake van feiten waarvoor hij niet is uitgeleverd (HR 15 februari 1977,
NJ1977, 619; A.H.J. Swart,
Nederlands uitleveringsrecht, 1986, blz. 346, nr. 306; A.A.M. Orie, J.G. van der Meijs en A.M.G. Smit,
Internationaal strafrecht, 1991, blz. 80). De weging van de gevolgen van een mogelijke schending van het specialiteitsbeginsel is voorbehouden aan de minister van justitie (art. 12, eerste lid, Uitleveringswet; Swart, a.w., blz. 369, nr. 331).
NJ1997, 534. Dit beroep faalt echter omdat hetgeen in die zaak werd aangevoerd (berechting in Turkije na ommekomst van de redelijke termijn aldaar) niet zo'n flagrante schending oplevert. Voor een onderscheid in dezen tussen uitlevering aan een EVRM-partij enerzijds en aan de VS anderzijds zie ik op basis van het zojuist geciteerde arrest geen reden. Een voorbeeld waarin wel van een flagrante schending sprake was is het vonnis van de Rb. Amsterdam van 29 december 1998,
Nieuwsbrief Strafrecht1999 nr 033, kennelijk gewezen op het voetspoor van HR 16 december 1997, NJ 1998, 388 (schending van de Nederlandse souvereniteit en strijd met het Tallon-criterium).
NJ1997, 534). Dat ligt ook wel voor de hand, aangezien de rechter bij uitstek geschikt is om de waarheid van een bewering omtrent het verleden vast te stellen, terwijl de minister - eventueel via zijn ambtgenoot van buitenlandse zaken - juist bij uitstek geschikt is om de actuele risico's van verdragsschending door een andere staat in te schatten, terwijl het bovendien tot het politieke domein behoort om verantwoordelijkheid te nemen voor het al dan niet uitvoering geven van een door de rechter toelaatbaar geacht uitleveringsverzoek. Het politieke domein houdt echter op waar een (nader door Uw Raad omschreven) risico aanwezig is van een flagrante schending van een door Nederland te garanderen recht in art. 6 EVRM Pro. (Zie voor kritiek op het onderscheid: Chr. Ingelse & A.L. Smeulers, Fundamentele rechten, uitlevering en de Nederlandse rechter,
NJB1997, blz. 16-17; A.L. Smeulers, De Nederlandse uitleveringsprocedure en de vrijwaring van foltering,
NJCM-Bulletin1997, p. 124-138, met name p. 133-134.)
Nederlands uitleveringsrecht, blz. 346, nr. 306.
tweedemiddel klaagt erover dat de rechtbank het verweer dat de opgeëiste persoon zijn onschuld onverwijld kon aantonen, niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
De strafbaarheid van de leiding van corporaties in het Amerikaanse en Nederlandse recht, preadvies NVR 1988; HR 12 februari 1991,
NJ1991, 528 m.nt. 'tH). Ik laat daar dat punt 12 reeds een deelnemingsfiguur omschrijft.
NJ1983, 634 rov. 7.3; HR 27 maart 1979,
NJ1979, 419 rov. 4; HR 5 september 1978,
NJ1979, 82). Het oordeel van de rechtbank dat de opgeëiste persoon niet onverwijld zijn onschuld heeft kunnen aantonen geeft, gelet op hetgeen daartoe ter zitting was aangevoerd, dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.
derdemiddel betoogt dat de dubbele strafbaarheid ontbreekt voor wat betreft het in punt 1 onder c in de vervangende akte van beschuldiging opgenomen feit.
eersteklacht richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat het in de handel tussen de staten onderling brengen van verkeerd aangeduide en vervalste diergeneesmiddelen, valt onder art. 225 Sr Pro.
tweedeklacht sluit hierbij aan en betoogt dat het in de handel tussen de staten onderling brengen van verkeerd aangeduide en vervalste diergeneesmiddelen geen misdrijf maar slechts een overtreding oplevert waarop art. 140 Sr Pro geen betrekking heeft.
NJ1993, 575 rov. 7.4; HR 28 februari 1989,
NJ1990, 9 rov. 4.3.1; HR 24 november 1987,
NJ1988, 590 rov. 4.2; in dezelfde richting wijst HR 6 oktober 1998,
NJ1998, 916 rov. 6.4.2). Voor de beoordeling van het middel is van belang de uiteenzetting van de feiten in de aangevulde akte van beschuldiging.
Middelen en wijze van samenspanning
NJ1997, 70 rov. 4.3.1.) valt dit niet onder het bepaalde in art. 140 Sr Pro aangezien deze bepaling alleen ziet op het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
accessoireuitlevering (art. 2, vijfde lid, Uitleveringsverdrag NL-VS) komen deze feiten niet in aanmerking aangezien deze feiten naar Nederlands recht zijn verjaard (art. 1 onder Pro 4o WED in verband met art. 2 onder Pro 4 WED in verband met art. 70 onder Pro 1o Sr) en verjaring een omstandigheid is die niet in het tweede lid van art. 2 van Pro het verdrag wordt genoemd. De meest recente datum waarop deze feiten zouden zijn begaan, is 2 februari 1994 terwijl het uitleveringsverzoek dateert van 10 september 1996 zodat in ieder geval in deze periode meer dan twee jaar is verstreken.
accessoireuitlevering voor de feiten die te maken hebben met het invoeren en importeren ontoelaatbaar is verklaard.
NJ1986, 10 rov. 4.2; HR 14 mei 1985,
NJ1986, 11 rov. 6.4 m.nt. GEM).
Kamerstukken II1981-1982, 17 122 (R1193), nr. 1 Brief van de Minister van Buitenlandse Zaken, blz. 4;
idem, B Advies van de Raad van State, blz. 3;
idem, C Nader rapport, blz. 6). Met dit voorschrift wordt kennelijk bedoeld dat voor het antwoord op de vraag of de voor uitlevering vereiste hoogte van de op te leggen straf wordt gehaald, geen acht wordt geslagen op de strafverlaging die het gevolg is van poging tot of medeplichtigheid bij of tot het strafbare feit.
NJ1993, 575 rov. 7.4; HR 24 november 1987,
NJ1988, 590 rov. 4.2).