ECLI:NL:PHR:2001:AA9243
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over loonbelastingheffing bij niet-verhaalde boetes door werkgever op werknemers
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem over naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd aan een besloten vennootschap (X BV) die boetes wegens snelheidsovertredingen betaalde zonder deze op haar chauffeurs te verhalen.
De werkgever betoogde dat de boetes inherent zijn aan de bedrijfsvoering en dat de chauffeurs werden aangemoedigd tot opschieten, waardoor het niet-verhalen zakelijke redenen had. Het Hof oordeelde dat de boetes aan de werkgever als kentekenhouder waren opgelegd en dat het niet-verhalen geen loonvoordeel voor de werknemers opleverde omdat verhaal juridisch niet mogelijk was.
De Staatssecretaris stelde dat het Hof artikel 10 Wet Pro LB 1964, artikel 5 WAHV Pro en artikel 17 WARB Pro onjuist had toegepast en onvoldoende had gemotiveerd. Volgens hem vormde het niet-verhalen loon omdat het voordeel direct uit de dienstbetrekking voortvloeit. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onvoldoende onderzoek had gedaan naar de juridische verhaalbaarheid van de boetes op de werknemers en dat dit essentieel is voor de fiscale kwalificatie.
De Hoge Raad benadrukte dat indien verhaal op de werknemers niet mogelijk is vanwege de aanmoediging van overtredingen door de werkgever, het betalen van de boetes door de werkgever geen loonvoordeel oplevert maar werkgeverskosten betreft. De zaak werd verwezen voor nader onderzoek naar de feitelijke en juridische verhaalspositie, maar de Hoge Raad gaf aan dat het Hof terecht had geoordeeld dat de boetes niet verhaalbaar waren en dat het beroep van de Staatssecretaris verworpen moest worden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen; het niet-verhalen van boetes door de werkgever vormt geen loon indien verhaal op werknemers juridisch niet mogelijk is.