ECLI:NL:PHR:2001:AA9366
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor handelen in verdovende middelen ondanks klachten over redelijke termijn en bewijs
Verdachte werd veroordeeld door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch tot een gevangenisstraf van één jaar wegens het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Hij stelde in cassatie dat de redelijke termijn was overschreden, het bewijs onrechtmatig was verkregen en dat er geen gerechtelijk vooronderzoek was geopend. De Hoge Raad oordeelde dat de periode van bijna twee jaar tussen het delict en de behandeling door de rechtbank niet onredelijk was, mede omdat in die periode een deskundigenrapport werd opgesteld. Ook werd geoordeeld dat het hof terecht het OM ontvankelijk verklaarde en dat de strafmotivering van de rechtbank niet relevant was omdat het hof deze vernietigde.
Daarnaast verwierp de Hoge Raad het verweer dat er een gerechtelijk vooronderzoek was geopend, omdat het hof had vastgesteld dat daarvan geen sprake was. Ook het bewijs, waaronder telefoontaps en het aangetroffen zakje met verdovende middelen, werd als toereikend beschouwd. De klachten over de bewijsvoering werden niet gegrond verklaard. De Hoge Raad concludeerde dat er geen gronden voor cassatie waren en verwierp het beroep.
De uitspraak benadrukt het belang van een redelijke termijn in strafzaken, maar bevestigt dat een termijn van bijna twee jaar niet per definitie onredelijk is. Tevens wordt bevestigd dat bewijs moet worden beoordeeld in samenhang en dat het ontbreken van vingerafdrukken op een zakje niet automatisch leidt tot onvoldoende bewijs. De uitspraak geeft inzicht in de toetsing van bewijs en procedurele waarborgen in strafzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot één jaar gevangenisstraf wegens handelen in strijd met de Opiumwet.