ECLI:NL:PHR:2001:AA9367
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens niet-beledigende uitlatingen over homoseksuelen in ingezonden brief
Verdachte werd ten laste gelegd dat hij in december 1997 in een ingezonden brief in het beleidsinformatieblad van het Ministerie van Justitie zich opzettelijk beledigend zou hebben uitgelaten over homoseksuelen wegens hun seksuele gerichtheid, in strijd met artikel 137c Sr.
Het gerechtshof 's-Gravenhage sprak verdachte vrij omdat het hof oordeelde dat hoewel de uitlatingen op zichzelf beledigend konden zijn, de context van de brief en de daarin geuite bijbelse overtuiging het beledigende karakter ontnam. De uitlatingen waren geplaatst in het kader van een publiek debat over het homohuwelijk en vielen onder de vrijheid van meningsuiting en geloofsverkondiging zoals beschermd door de Grondwet.
Het Openbaar Ministerie stelde cassatieberoep in tegen deze vrijspraak, maar de Hoge Raad verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat tegen een zuivere vrijspraak in principe geen cassatieberoep openstaat. De Hoge Raad bevestigde dat de uitlatingen als op geloof geïnspireerde vrije meningsuiting binnen acceptabele proporties vielen en niet buiten proportie waren, waardoor geen sprake was van een strafbare belediging.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens het ontbreken van een strafbare belediging.