ECLI:NL:PHR:2001:AA9441
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Faillissementsrechtelijke positie van geld op specifieke notariële kwaliteitsrekening
In deze zaak stond centraal of een bedrag dat op een specifieke notariële kwaliteitsrekening is gestort, valt onder het vermogen van de nadien gefailleerde storter en of deze storting als een vernietigbare voldoening aan een opeisbare schuld kan worden aangemerkt. De curator van de failliete partij vorderde dat het saldo op de kwaliteitsrekening tot de failliete boedel werd gerekend, terwijl de notaris en andere betrokkenen dit betwistten.
De rechtbank wees de vordering van de curator af, stellende dat door de depotovereenkomst het onvoorwaardelijke recht op het bedrag was prijsgegeven en een voorwaardelijk recht op uitkering was ontstaan, dat ook aan de curator toekomt. De Hoge Raad bevestigde dat het gestorte bedrag niet langer tot het vermogen van de storter behoort, maar dat het voorwaardelijk vorderingsrecht op het saldo in diens faillissement valt. De notaris beheert het saldo als lasthebber en is bevoegd tot beheer en beschikking.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de storting op de kwaliteitsrekening geen voldoening aan een opeisbare schuld vormt in de zin van art. 47 Faillissementswet Pro, aangezien de overeenkomst niet ter voldoening aan een opeisbare schuld is gesloten en de curator onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van wetenschap van benadeling van schuldeisers.
De Hoge Raad verwierp de cassatie en veroordeelde de curator in de proceskosten, waarmee de positie van de specifieke kwaliteitsrekening als afgescheiden vermogen en de rechtsgevolgen bij faillissement werden bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het depotbedrag op de specifieke kwaliteitsrekening een voorwaardelijk vorderingsrecht vormt dat in de failliete boedel valt.