Conclusie
Vesteda IM)
Vesteda PD)
Vesteda, in vrouwelijk enkelvoud)
Rabobank)
curator)
NPB Beheerrespectievelijk
Mega Projecten)
Megahome.nl Grond)
Megahome.nl Beheer)
NPB Onroerend Goed)
NPB Bouw)
NPB Bouwbedrijf)
Mega Bouwbedrijf)
Megahome.nl)
Megahome.nl Bouw)
Megahome-vennootschappen)
1.Feiten
rechtbank) van 21 augustus 2019 (hierna: het
vonnis). [1] Bij die feitenvaststelling in eerste aanleg sluit het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna ook: het
hof) zich aan, zo blijkt uit rov. 3 van het in cassatie bestreden arrest van het hof van 10 mei 2022 (hierna: het
arrest). [2]
Vesteda Management) en Mega Projecten een samenwerkingsovereenkomst aangegaan op grond waarvan onder meer Vesteda Management financiering verstrekte aan Mega Projecten ten behoeve van woningbouw in Emmen (hierna: de
Samenwerkingsovereenkomst).
1.Geen verlenging
financieringsaanbod van 8/9 april 2010). In de brief met bijlagen staat onder meer:
geldleningsovereenkomst van 30 juni 2010). Hierin staat onder meer:
VERTRAGINGSRENTE
Nebo) vermeld.
2.Procesverloop (op hoofdlijnen)
In eerste aanleg
De rechtbank:
p-v).
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Arrest
2. Waar deze zaak over gaatHet gaat hier om diverse vorderingen van schuldeiser Vesteda [18] tegen (de curator van) de Megahome-vennootschappen en tegen Rabobank, hoofdzakelijk op grond van de Pauliana van artikel 3:45 BW Pro dan wel onrechtmatig handelen, telkens wegens verhaalsbenadeling. Vesteda heeft van drie rechtshandelingen de BW-Pauliana ingeroepen: het verlenen van hypotheekrechten op 15 april 2010 voor € 167,5 miljoen (Pauliana I), het aanvaarden van een financieringsaanbod van 8 april 2010 voor € 125 miljoen (Pauliana II) en het aangaan van een geldleningsovereenkomst van 30 juni 2010 voor hetzelfde bedrag (Pauliana III).
5.De motivering van de beslissing in hoger beroep(…)het verlenen van hypotheekrechten op 15 april 2010 voor €167,5 miljoen (Pauliana I) en het aanvaarden van een financieringsaanbod van 8 april 2010 voor € 125 miljoen (Pauliana II)
"De cliënt is verplicht desgevraagd voldoende zekerheid te stellen voor de nakoming van zijn bestaande verplichtingen jegens de bank (...)".
"De verbintenissen uit hoofde van deze overeenkomst en de daarop toepasselijk verklaarde voorwaarden zijn voor de rekeninghouder en diens rechtsopvolgers ondeelbaar ingeval van juridische splitsing van rekeninghouder."en
"De verbintenissen uit hoofde van de geldlening, de akte en de daarin toepasselijk verklaarde (algemene) voorwaarden zijn voor de debiteur en diens rechtsopvolgers ondeelbaar ingeval van juridische splitsing van debiteur."
Klachten
lid 2BW kan worden aangesloten). De principiële vraag die voorligt, luidt of de
bijzondereregeling van art. 2:334t (lid 2) BW überhaupt ruimte biedt voor een schuldoverdracht via ondeelbaarheidsbedingen van betrokken contractspartijen. De wetgever heeft het onderscheid tussen ondeelbare en deelbare verbintenissen in art. 2:334t lid 2-3 BW vanwege schuldeisersbescherming bij juridische (af)splitsing uitdrukkelijk vooropgesteld en benoemd. Anders gezegd: de hoofdelijkheid is in art. 2:334t BW exclusief geregeld. Derhalve: op het moment dat op basis van een speciale hoofdelijkheidsregel uit Boek 2 BW de aansprakelijkheid wordt verdeeld, bepalen de algemene regels over hoofdelijkheid wat de
gevolgenvan die wettelijke hoofdelijkheid zijn (art. 2:334t lid 5 BW).
lid 3BW geen verbintenissen of schuld van NPB Beheer/Mega Projecten overgedragen hebben gekregen onder algemene titel en (b) dat Megahome.nl Grond reeds bestond sinds 3 juni 2009, dus vóór de afsplitsing van 26 augustus 2009. Sub b betekent bovendien dat Megahome.nl Grond als verkrijgende rechtspersoon ook ‘eigen’ verplichtingen kan hebben gehad jegens ‘eigen’ schuldeisers, die in ’s hofs rechtsopvatting worden geconfronteerd met volledige aansprakelijkheid van hun schuldenaar (Megahome.nl Grond) voor verplichtingen van andere rechtspersonen (NPB Beheer/Mega Projecten); wat de wetgever niet bedoeld kan hebben met de splitsingsregeling. De toepassing van art. 2:334t lid 2 BW via art. 6:6 lid 2 BW Pro is dan ook onjuist en zonder nadere motivering onbegrijpelijk. [24]
in bepaalde gevallengoederenrechtelijke werking hebben, maakt de parallel met het onderhavige geval van juridische (af)splitsing en ondeelbaarheidsbedingen in algemene bankvoorwaarden niet houdbaar. Die parallel/analogie is zelfs onbegrijpelijk, nu het hier gaat om typisch verbintenisrechtelijke kwesties als hoofdelijke verbondenheid en (on)deelbare prestaties. Daarbij komt dat blijkens die jurisprudentie
als uitgangspuntgeldt dat zulke bedingen tussen partijen slechts verbintenisrechtelijke werking hebben,
tenzijer contra-indicaties zijn, wat impliceert dat het hof de keuze voor afwijking van die hoofdregel nader moest motiveren.
lid 2BW en zo goederenrechtelijke werking te bewerkstelligen. Deze bepaling ziet immers enkel op de naar hun aard ondeelbare verbintenissen, anders had de wetgever het onderscheid tussen ondeelbare en deelbare verbintenissen niet zo uitdrukkelijk gemaakt.
Behandeling
De kern
Inleidende opmerkingen over juridische (fusie en) splitsing
afsplitsingen in de zin van art. 2:334a leden 1 en 3 BW. Zie onder 3.7 hiervoor. Deze splitsingsvariant was, anders dan de in art. 2:334a lid 1-2 BW bedoelde
zuiveresplitsing, niet geregeld in de Europese Zesde Richtlijn. De Nederlandse wetgever heeft evenwel aanleiding gezien in Boek 2 BW ook regels voor afsplitsing te introduceren, vanuit de gedachte dat waar bij zuivere splitsing enerzijds en afsplitsing anderzijds goeddeels dezelfde belangen betrokken zijn, er geen aanleiding is de afsplitsing anders te behandelen dan de zuivere splitsing. En hoewel genoemde richtlijn slechts regels geeft voor splitsing van naamloze vennootschappen heeft de Nederlandse wetgever de mogelijkheid van splitsing daartoe niet beperkt, nu deze mogelijkheid evenzeer van belang kan zijn voor andere rechtsvormen. In navolging van de Nederlandse fusieregeling is daarom niet alleen splitsing van naamloze vennootschappen mogelijk, maar ook - binnen zekere grenzen - die van besloten vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. [45]
Art. 2:334t BW
ondeelbareverbintenissen de verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande gesplitste rechtspersoon elk voor het geheel aansprakelijk. Blijkens lid 3 geldt voor
deelbareverbintenissen een genuanceerder regime. Daarvoor is de verkrijgende rechtspersoon waarop de verbintenis is overgegaan of, zo de verbintenis niet op een verkrijgende rechtspersoon is overgegaan, de voortbestaande gesplitste rechtspersoon voor het geheel aansprakelijk. De aansprakelijkheid voor deelbare verbintenissen is beperkt voor elke andere rechtspersoon dan bedoeld in de vorige zin, en wel tot de waarde van het vermogen dat hij bij de splitsing heeft verkregen of behouden (ook wel het ‘netto-actief’ genoemd). [59] Blijkens lid 4 geldt daarbij een vorm van subsidiaire aansprakelijkheid: andere rechtspersonen dan de rechtspersoon waarop de verbintenis is overgegaan of, zo de verbintenis niet op een verkrijgende rechtspersoon is overgegaan, dan de voortbestaande gesplitste rechtspersoon zijn niet tot nakoming gehouden voordat de laatstbedoelde rechtspersoon in de nakoming van de verbintenis is tekortgeschoten. [60] Blijkens lid 5 zijn ten aanzien van “de aansprakelijkheid”, die dus geregeld wordt in lid 1-4, de bepalingen betreffende hoofdelijke verbondenheid van overeenkomstige toepassing. [61]
ondeelbaarheid. In beide gevallen toch (…) is, bij een veelheid van schuldenaren, ieder tot de gehele prestatie gehouden. (…) Toch mogen ondeelbaarheid en hoofdelijkheid niet worden gelijk gesteld. (…) Zij verschillen in wezen. Ondeelbaarheid is een onmiddellijk gevolg van het
objectder verbintenis. (…) De hoofdelijkheid daarentegen betreft niet zozeer het object als wel de
subjectender verbintenis. (…) Dit verschil in wezen leidt tot verschil in gevolgen. De ondeelbare verbintenis blijft ondeelbaar, hoe ver zich ook het aantal schuldeisers of schuldenaren door erfopvolging of anderszins mocht hebben uitgebreid. (…) De hoofdelijkheid daarentegen staat verdeling onder de erfgenamen niet in de weg. (…) Een ander verschil is, dat de ondeelbaarheid zich niet mededeelt aan de verbintenis tot schadevergoeding waarin zij wordt opgelost, daar deze een ander, deelbaar, object heeft; (…). De hoofdelijkheid evenwel strekt zich wèl tot de vergoedingsplicht uit, in overeenstemming met haar doel (wij denken vooral aan de passieve hoofdelijkheid): zekerheid voor de schuldeiser. De deelbaarheid van het object der verbintenis tot schadevergoeding raakt haar niet. (…) Er zijn nog meer punten van verschil, zoals met betrekking tot de werking der kwijtschelding, inbetalinggeving, schuldvernieuwing, schuldvermenging, stuiting der verjaring; (…).”
verbintenissen. [70] Sindsdien kennen we met art. 6:6 BW Pro het onderscheid tussen ondeelbare en deelbare
prestaties. Daaruit volgt onder meer dat indien de door twee of meer schuldenaren verschuldigde prestatie ondeelbaar is, de wet daaraan de consequentie verbindt dat zij hoofdelijk verbonden zijn (art. 6:6 lid 2 BW Pro). [71] Met ‘prestatie’ wordt aangeduid het voorwerp (het object) van de verbintenis: datgene waartoe de schuldenaar verplicht en de schuldeiser gerechtigd is, wat kan bestaan in een geven, een doen of een niet-doen. [72] Ik merk op dat de parlementaire geschiedenis in het kader van art. 6:6 BW Pro centraal stelt of de prestatie
naar haar aardondeelbaar of deelbaar is. Zo valt daarin te lezen: [73]
Nieuw artikel 2:334tt
Het huidige artikel 2:334t BW regelt de aansprakelijkheid voor nakoming van verbintenissen bij de binnenlandse splitsing. Artikel 2:334t BW vloeit voort uit de implementatie van artikel 12 lid 3 van Pro de Zesde Richtlijn (thans artikel 146 lid 3 van Pro de gewijzigde Vennootschapsrichtlijn). Het artikel komt in hoofdlijnen overeen met artikel 160undecies lid 2 van de gewijzigde Vennootschapsrichtlijn, met dien verstande dat voor ondeelbare verbintenissen niet een aansprakelijkheid geldt tot het verkregen nettoactief voor de vennootschappen die de schuld niet hebben verkregen. Is een prestatie naar haar aard niet deelbaar, dan is er sprake van een ondeelbare verbintenis (zie ook artikel 6:6 lid 2 BW Pro). Voorbeelden van ondeelbare verbintenissen zijn onder meer verbintenissen tot overdracht van een huis of verbintenissen om een prestatie te leveren waarvan de nakoming afhankelijk is van de persoon van degene die moet nakomen. Uit artikel 160undecies lid 2 van de gewijzigde Vennootschapsrichtlijn vloeit voort dat voor alle verbintenissen (dus ook voor ondeelbare verbintenissen) aansprakelijkheid moet gelden tot het nettoactief. Dit wordt geregeld in het voorgestelde artikel 2:334tt BW. Zo komt bij de grensoverschrijdende splitsing voor ondeelbare verbintenissen dezelfde regeling te gelden als reeds geldt op grond van artikel 2:334t lid 3 BW voor deelbare verbintenissen en geldt een aansprakelijkheid tot het nettoactief. Voor het overige is de regeling van artikel 2:334t BW voor de binnenlandse splitsing ook van toepassing op de grensoverschrijdende splitsing.”
ondeelbare verbintenissen van de gesplitste vennootschap.
overkill-element zit” vanwege de cumulatie met de schuldeisersverzetsregeling (art. 2:334l BW in verbinding met art. 2:334j-334k BW), wat het aangewezen zou maken art. 2:334t BW “waar mogelijk restrictief uit te leggen”. [84] Ook is daarin wel geschreven dat te overwegen valt “door wetswijziging de reikwijdte van art. 2:334t BW te beperken”, dit met het oog op de werkbaarheid van deze regeling voor de praktijk. [85]
“Ondeelbare verbintenissen” in art. 2:334t lid 2 BW =naar de aardondeelbaar (en “deelbare verbintenissen” in art. 2:334t lid 3 BW =naar de aarddeelbaar)
de aard van(de prestatie onder) de verbintenis centraal gesteld. Illustratief is het citaat onder 3.24 hiervoor van wat Simonis, Van der Velden, Roelofs en & Van Eck daarover schrijven. [87] Ik noem verder bijvoorbeeld Buijn; [88] Buijn & Storm; [89] Dahmen; [90] Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond; [91] Hoyer; [92] Huizink; [93] Kirpensteijn, Donkers & Anker; [94] Linse; [95] Overes/Van Veen; [96] Roelofs; [97] Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood; [98] Schoonbrood & Wolswijk; [99] Van Solinge; [100] Verbrugh; [101] Volders; [102] Zaman; [103] en Zaman, Van Eck & Roelofs. [104] , [105]
Slotsom
Arrest
de nieuwe financieringsovereenkomst van (8/9 april) 2010 en de verplichting tot zekerheidstelling
desgevraagd”. Rabobank heeft meermalen gevraagd om zekerheidstelling, onder meer bij brief van 1 oktober 2009 en ook in de nieuwe financieringsovereenkomst van 8/9 april 2010. Zij had de verlangde zekerheidstelling desgewenst kunnen afdwingen via beslaglegging of in kort geding. Vesteda erkent in haar memorie van antwoord sub 89 tweede gedachtestreepje dat Rabobank, na in april 2010 boven haar bestaande hypotheken van € 25 miljoen nog eens hypotheken tot meer dan € 165 miljoen te hebben verkregen, kort daarna wederom verdere zekerheden heeft geëist.
“dat de hypotheekgever en de bank zijn overeengekomen dat door de hypotheekgever ten behoeve van de bank het recht van hypotheek en pandrechten wordt gevestigd op de in deze akte en na te melden algemene voorwaarden omschreven goederen”.
Megahome.nl medeschuldenaar?
Klacht
Behandeling
Arrest
de geldleningsovereenkomst van 30 juni 2010 (Pauliana III)5.14 Met haar klachten over de renteverzwaring in artikel 5 van Pro de geldleningsovereenkomst van 30 juni 2010 (opgelopen tot € 90 miljoen respectievelijk € 98 miljoen per datum faillissement) en over de deelneming door Megahome.nl als contractspartij aan die overeenkomst, wil Vesteda de geldleningsovereenkomst in zoverre partieel vernietigen.
"Indien het door de debiteur aan de bank verschuldigde niet op de vervaldag is voldaan, kan de bank naar haar keuze aan de debiteur over het niet tijdig betaalde bedrag een boete in rekening brengen van:a. ten hoogste één procent (1 %) per maand vanaf de vervaldag, naast de geldende rente voor de geldlening, die ook over het bedrag dat niet op tijd betaald is in rekening zal worden gebracht, ofb. ten hoogste twee procent (2%) per maand vanaf de vervaldag, zonder dat daarnaast de geldende rente voor de geldlening in rekening zal worden gebracht, over het bedrag dat niet op tijd is betaald."De geldleningsovereenkomst van 30 juni 2010 bevatte in artikel 5 een Pro bepaling over de vertragingsrente:
“Indien enig bedrag niet tijdig door een Debiteur wordt voldaan, is die Debiteur in aanvulling op de geldende rente een vertragingsrente verschuldigd van 2% (zegge: twee procent) op maandbasis te berekenen over het betreffende bedrag dat die Debiteur nog dient te voldoen vanaf de dag van verschuldigd worden tot de dag der voldoening (...)."
Haar argument dat Rabobank in de periode waarover de rente werd berekend, met de Megahome-vennootschappen in gesprek was over een oplossing en zekerheden heeft uitgewonnen, brengt op zichzelf nog niet mee dat de rentebepaling of renteberekening in strijd zou zijn met de goede zeden, zodat de sanctie van nietigheid of vernietiging op grond van artikel 3:40 lid 1 BW Pro niet op haar plaats is.
Aan Vesteda moet wel worden toegegeven dat de 2% rente per maand (effectief 26,8% op jaarbasis, hetgeen heeft geleid tot een rentevordering van € 90 miljoen respectievelijk € 97 miljoen per datum faillissementen), bepaald fors is, maar dat is hier niet de kwestie omdat het nu enkel gaat om de verzwaring van de renteverplichting, die neerkomt op de geldende rente (bovenop de boete- of vertragingsrente van 2 % per maand, zie de overweging hiervoor), welke Vesteda niet aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Verder heeft Vesteda voor onrechtmatigheid of handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid door Rabobank jegens haar als medeschuldeiser c.q. depotdeelgenote ook onvoldoende aangevoerd, zeker nu Rabobank onweersproken heeft uiteengezet dat zij met de geldleningsovereenkomst een financieringsrelatie onder voorwaarden heeft voortgezet, waarbij rekening werd gehouden met alle omstandigheden van het geval, zoals bijvoorbeeld de voorgeschiedenis tussen partijen (waaronder in ieder geval de eerste sterfhuisconstructie), het economische klimaat (in de jaren 2008-2010 van klaarblijkelijk de bankencrisis), de risicoanalyse (de financiering was slechts voor een beperkt deel gesecureerd; de Megahome-vennootschappen voldeden niet aan bepaalde informatieverplichtingen en Rabobank zag zich geconfronteerd met hogere kosten in de markt voor het aantrekken van gelden) en de reeds tussen partijen bestaande afspraken uit de financieringsrelatie sedert 2007.
Al met al snijden de argumenten van Vesteda dan geen hout. De vorderingen sub 1. onder a zijn daarom niet toewijsbaar.”
Klacht
Behandeling
Processuele debat
ca. € 90 mln. vertragingsrente, zulks naast € 97,5 mln. hoofdsom en € 11,2 mln. aan andere rentes en te vermeerderen met pm-posten (…).
in de periode september 2013 tot 2016verschillende gesprekken daartoe zijn gevoerd. Dat bevestigt hetgeen hiervoor onder 19 is gesteld omtrent de 2% rente per maand, resulterend in rentevorderingen van Rabo van € 90 mln. resp. € 98 mln. Het voeren van gesprekken en het trachten te vinden van een oplossing gedurende enkele jaren (terwijl dit uiteindelijk niet lukt) is op een onredelijke en onzedelijke manier nadelig voor andere crediteuren en lucratief voor Rabo waar zij daarmee ondertussen haar vordering van € 90 mln. resp. € 98 mln. ophoogt.
(…)
51.Met betrekking tot de vertragingsrente wordt nader het volgende aangevoerd.Rabo maakt ter zake van de vertragingsrente van 2% per maand aanspraak op € 90 mln. en heeft bij de curator een vordering ter zake van “vertragingsrente” ingediend van € 90 mln. respectievelijk € 97 mln.(…)Rabo is kennelijk reeds vanaf 2012 enorme bedragen aan “vertragingsrente” gaan berekenen. Tussen 2012 en de faillissementen heeft Rabo via executies € 27,5 mln. (hypotheken) en ca. € 32 mln. (vonnis) te gelde gemaakt.Hoewel dus een totaalopbrengst werd gerealiseerd van ca. € 60 mln.stelt Rabo dat haar vordering dankzij de vertragingsrente in die tijd toenam van € 123 mln. in 2012naar € 197 mln. in 2016Alle proportie en redelijkheid zijn zoek.
Er is door Rabo met Megahome in maart 2015 zelfs een ‘voorovereenkomst’ gesloten (…) die voorzag in een voorgenomen vaststellingsovereenkomst waarbij alle Megahome-posities zouden worden onderzocht en in kaart gebracht door Baese Property Solutions B.V. (voorgeschreven door Rabo) en tegenover de schuldpositie van Rabo jegens Megahome zouden worden overgedragen aan een nieuwe rechtspersoon die zou functioneren als trust, om van daaruit te komen tot afbouw van de Megahome-posities. Uitgegaan werd van volledige afbouw per ultimo 2020. De vaststellingsovereenkomst is er niet gekomen en kort na het vastlopen van de onderhandelingen daarover is Megahome failliet verklaard. Rabo had toen volgens eigen stellingen € 90 mln. ‘vertragingsrente’ opgebouwd bovenop haar ‘reguliere’ rentevordering van € 11,2 mln.
Het aanspraak maken op vertragingsrente van 2% per maand is onder de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid.
(…)
7. In verband met de excessieve rente van Rabobank wijst zij op het feit dat ook Vesteda rente berekent. Dat betreft echter de wettelijke handelsrente of de wettelijke rente, een door de wetgever gefixeerd percentage dat geldt als een vorm van abstracte schadevergoeding. De 2% extra rente per maand die Rabobank rekent is zelfs afgezien van het tijdsverloop - waar Rabobank voor verantwoordelijk was - buiten iedere proportie en onredelijk. Voor zover dat niet voor zich spreekt, wijs ik op het feit Rabobank recent heeft besloten om in rekening gebrachte woekerrentes tussen 9% en 13% terug te betalen (https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/waarom-compenseert-de-rabobank-haar-klanten-voor-te-hoge-rente~b0b10dbf/). We hebben het hier over een
extrarente van effectief 26,8% op jaarbasis.”
Dan nog een ander punt. Tot nu toe ging het vooral om de vernieuwing van de relatie met Rabobank die opleverde dat de nieuwe Megahome-vennootschappen bij die relatie werden betrokken. U maakt daarnaast een punt van de hoge extra rente van 2% per maand. Rabobank zegt dat deze rente ook al bestond in de algemene voorwaarden bij de financieringsovereenkomst uit 2007. Daar heb ik u nog niet over gehoord.
Ik heb gelezen dat de rente van 2% per maand deel uitmaakt van de eerdere financiering.
Terug naar het onderdeel
waaromVesteda ter zake dan onvoldoende heeft aangevoerd. Daarbij betrek ik dat die uiteenzetting van Rabobank de enige concretisering is die het hof hier biedt, maar naar de aard ontoereikend is voor die minimaal vereiste inzichtelijkheid/begrijpelijkheid, want bijvoorbeeld niet is toegespitst op genoemde verhouding en evenmin raakt aan die door Vesteda gewraakte gedragslijn van Rabobank in de periode na 2010.
Arrest
grondenoverdrachten Paulianeus?
indien en voor zover zulks niet reeds is gebeurd in de procedure die bij uw hof thans aanhangig is onder zaaknummer 200.265.697". In het arrest van heden in die zaak heeft het hof die vernietiging uitgesproken. Daarom komt de vordering sub 2. hier niet meer aan de orde.
Vesteda heeft in déze zaak tegenover de gemotiveerde betwisting door Rabobank niet uiteengezet dat de grondoverdrachten Paulianeus waren. Op de mondelinge behandeling heeft Vesteda wel toegelicht dat de gronden door Mega Projecten/NPB Beheer voor niets zijn overgedragen aan Megahome.nl Grond die geen deel uitmaakte van de financieringsovereenkomst van 2007, dat Megahome.nl Grond onverplicht partij werd gemaakt bij de financieringsovereenkomst van 2010 en dat Megahome.nl Grond, eveneens onverplicht, al haar gronden in hypotheek heeft gegeven aan Rabobank zonder dat daar iets tegenover stond, terwijl Rabobank wist dat dit de andere schuldeisers van Mega Projecten/NPB Beheer, zoals Vesteda, benadeelde. Maar daarmee heeft Vesteda niet in déze procedure aan de hand van concrete feiten en omstandigheden onderbouwd dat wat betreft de grondoverdrachten is voldaan aan de eisen van artikel 3:45 BW Pro en met name aan de eis van benadeling van Vesteda in haar verhaalsrechten.
Op beide gronden moet de door Vesteda sub 3. gevorderde verklaring voor recht hier worden afgewezen.”
Klachten
niette goeder trouw is. In ieder geval is het oordeel van het hof zonder nadere motivering ook op dit punt niet duidelijk.
Behandeling
klacht (i).
en daarom onbevoegd was tot deze hypotheekstellingen.”
wegens onbevoegdheid van de hypotheekgever ongeldig isvoor zover het betreft de op 5 en 17 juni 2009 door Mega Projecten (thans geheten NPB Beheer) aan Megahome.nl Grond overgedragen gronden, zijnde de in de hypotheekakte van 15 april 2010 met de nummers 1 t/m 8, 10 t/m 21 en 24 t/m 28 aangegeven gronden.”
klachten (ii)-(v). Deze lopen vast in het voetspoor van klacht (i). Zie onder 3.62-3.62.10 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Klachten
tussen dezelfde partijen bij dié paulianeuze rechtshandelingen(Vesteda enerzijds en NPB Beheer en Grond BV anderzijds)” komen vast te staan. [172] Deze vernietiging heeft derhalve gezag van gewijsde “tussen dié partijen in de onderhavige procedure”. Bij die grondoverdrachten was Rabobank geen partij, zodat zij ook niet op de voet van art. 3:51 lid 2 BW Pro bij die BW-pauliana betrokken hoefde te worden door Vesteda. Het hof heeft miskend dat gezag van gewijsde iets anders is dan de executoriale kracht van rechterlijke beslissingen. Rabobank kan als derde-rechthebbende (hypotheekhouder) in de onderhavige procedure wel degelijk de vernietiging van de onderliggende grondoverdrachten uit de andere procedure tegengeworpen krijgen. Daarom getuigt ’s hofs bestreden oordeel van een onjuiste rechtsopvatting dan wel een onvoldoende motivering. Dit is nóg moeilijker te begrijpen, en net zo onjuist, gezien het feit dat Vesteda de vereiste concrete feiten en omstandigheden in de andere procedure succesvol heeft bijgebracht, waardoor daarin het paulianeuze karakter van de betreffende grondoverdrachten in rechte is komen vast te staan, zoals het hof ook overweegt in rov. 5.19.
Behandeling
niet-ontvankelijkverklaringvan een individuele schuldeiser in zo’n ‘gewone’ paulianavordering, ongeacht de overige feiten en omstandigheden van het geval. Voor het onder huidig recht gegeven zijn van een dergelijk automatisme, dat naar de aard inbreuk zou maken op het primaat van de curator door op voorhand een bepaald rechtsgevolg voor te schrijven (dan ‘dus’ niet-ontvankelijkheid), tref ik ook niet een duidelijke basis aan in de door Rabobank aangedragen bronnen. [183] Met inbegrip van genoemd Hoge Raad-arrest uit 2001 en parlementaire geschiedenis van art. 49 Fw Pro, waaruit zij ook citeert. [184] Daarbij betrek ik dat daarin niet - laat staan dwingend - wordt gerept van niet-ontvankelijkheid. En dat het als individuele schuldeiser ‘niet zelf in rechte geldend kunnen maken’ van een eigen vordering vanwege een bepaalde bevoegdheid van de curator niet per se gelijkstaat aan niet-ontvankelijkheid van die schuldeiser in zo’n vordering.
de Pauliana-vorderingen ex artikel 3:45 BW Pro en uit onrechtmatige daad(…)
3.3 Verder strekken de vorderingen van Vesteda via de Pauliana van artikel 3:45 BW Pro in wezen tot (relatieve) vergroting van en verhaal op de faillissementsboedel. Artikel 49 lid 1 Faillissementswet Pro houdt in dat rechtsvorderingen, gegrond op de bepalingen der artikelen 42-48, worden ingesteld door de curator. Die bevoegdheid is exclusief en brengt mee dat een individuele schuldeiser niet bevoegd is tot de Pauliana tijdens faillissement, ook niet op grond van artikel 3:45 BW Pro. [187] Dit betekent dat de tijdens de faillissementen (vanaf het najaar van 2016) door Vesteda ingestelde vorderingen in zoverre op dit moment niet inhoudelijk kunnen worden beoordeeld. De vraag rijst wat moet gelden voor de al vóór de faillissementen aanhangige rechtsvorderingen. Deze zijn te vergelijken met en in dit opzicht op één lijn te stellen met rechtsvorderingen die een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, wat op grond van artikel 29 Faillissementswet Pro tot schorsing leidt. [188] De curator heeft de procedure met toestemming van de rechter-commissaris voortgezet en heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen deze lopende procedure voor zover de boedel daardoor niet wordt geschaad. Om de samenhang tussen beide vorderingen van vóór en tijdens de faillietverklaringen te bewaren en omwille van een praktische hanteerbaarheid van een en ander [189] , zal het hof Vesteda niet in deze vorderingen niet-ontvankelijk verklaren maar de beslissing daarop aanhouden in afwachting van de uitkomst van de door de curator inmiddels ingestelde Pauliana-vordering [190] als bedoeld in artikel 42 Faillissementswet Pro, waaraan nu prioriteit toekomt (de mondelinge behandeling door de rechtbank zou plaatsvinden op 8 februari 2022).
(…)
5. De beslissing
(…)
houdt iedere verdere beslissing aan tot afloop van de faillissementspauliana.”
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
Klacht
Behandeling