ECLI:NL:PHR:2001:AA9594
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring voorwaardelijk opzet doodslag en poging tot doodslag na aanrijdingen
Verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld wegens het opzettelijk beroven van twee personen van het leven en poging tot doodslag op een derde, door met hoge snelheid en zonder verlichting in te rijden op fietsers. Tevens werd hem het verlaten van de plaats van het ongeval ten laste gelegd. Het hof concludeerde dat verdachte voorwaardelijk opzet had: hij heeft willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn rijgedrag tot de dood van de slachtoffers zou leiden.
Verdachte voerde in cassatie onder meer aan dat hij zich niets kon herinneren van de aanrijdingen en dat het hof onvoldoende gemotiveerd had bewezen dat hij voorwaardelijk opzet had. De Hoge Raad oordeelde dat geheugenverlies geen uitsluitingsgrond is voor opzet en dat het hof terecht ook objectieve omstandigheden heeft meegewogen. Daarnaast behandelde de Hoge Raad uitgebreid de toepassing van art. 359a Sv over vormverzuimen en bewijsuitsluiting, waarbij het hof terecht bewijsuitsluiting toepaste op reconstructieonderzoek dat niet direct door het vormverzuim was verkregen.
Verder werd een verschil in conclusies van gedragsdeskundigen over de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis besproken. De Hoge Raad vond dat dit verschil niet leidde tot onbegrijpelijkheid of onrechtmatigheid in het oordeel van het hof over toerekeningsvatbaarheid. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Hoge Raad verwierp cassatie en bevestigde de veroordeling tot zeven jaar gevangenisstraf en rijontzeggingen wegens doodslag en poging tot doodslag.