ECLI:NL:PHR:2001:AA9813
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verwerping beroep ontoerekeningsvatbaarheid en strafoplegging voor vernieling en diefstal
De verdachte werd door het Gerechtshof ’s-Gravenhage veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken wegens opzettelijke vernieling van een motorkap en meervoudige diefstal. Hij voerde in hoger beroep aan dat hij handelde onder invloed van stemmen in zijn hoofd, waardoor hij ontoerekeningsvatbaar zou zijn en daarom ontslag van rechtsvervolging verdiende. De Hoge Raad benadrukte dat bij een beroep op een strafuitsluitingsgrond de rechter zelf de feitelijke grondslag moet onderzoeken en dat het verweer gehonoreerd wordt indien de feitelijke grondslag aannemelijk is geworden.
De rechtbank en het hof concludeerden dat onvoldoende basis bestond om te oordelen dat de verdachte als een willoos werktuig handelde onder invloed van een psychische stoornis. Het summiere reclasseringsrapport en het verslag van het RIAGG boden geen overtuigend bewijs van ontoerekeningsvatbaarheid. De Hoge Raad vond de verwerping van het verweer dan ook terecht en oordeelde dat het hof de strafbaarheid van de verdachte terecht had vastgesteld.
Daarnaast wees de Hoge Raad het middel af dat het hof het aanbod van de verdachte om onbetaalde arbeid te verrichten ten onrechte had afgewezen. Het hof achtte het aanbod niet serieus omdat de verdachte aangaf hierover nog na te willen denken en vond hem ongeschikt voor onbetaalde arbeid. De Hoge Raad bevestigde dat het hof de strafoplegging voldoende had gemotiveerd. De middelen van cassatie werden verworpen en de veroordeling bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot drie weken gevangenisstraf wegens vernieling en diefstal.