ECLI:NL:PHR:2001:AB0380
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij geschil over benoeming mededirecteur Franse vennootschap onder EEX-verdrag
In deze zaak staat centraal of de Nederlandse kortgedingrechter bevoegd is om kennis te nemen van een vordering van een Belgische eiser tegen een Nederlandse gedaagde, gericht op nakoming van een toezegging tot medewerking aan de benoeming van de eiser tot mededirecteur van een Franse vennootschap.
De feiten betreffen een geschil tussen aandeelhouders en bestuurders van Olympia France s.a.r.l., een Franse vennootschap, en haar aandeelhoudster Olympia Investment Nederland BV. De eiser vordert onder meer dat de gedaagde zich houdt aan een verklaring waarin medewerking aan de benoeming van de eiser tot mededirecteur is toegezegd.
De President van de Rechtbank Den Haag wees de vorderingen toe, en het Hof bekrachtigde dit oordeel. De gedaagde stelde cassatie in met het middel dat het Hof zich onbevoegd had moeten verklaren op grond van art. 16 lid 2 EEX Pro, dat exclusieve bevoegdheid toekent aan de gerechten van de lidstaat waar de vennootschap is gevestigd.
De Hoge Raad overweegt dat de uitleg van art. 16 lid 2 EEX Pro en de verhouding tot art. 24 EEX Pro (voorlopige en bewarende maatregelen) onduidelijk is en dat prejudiciële beantwoording door het Hof van Justitie noodzakelijk is. De zaak wordt geschorst totdat het Hof van Justitie uitspraak doet over deze uitleggingsvragen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwijst prejudiciële vragen over de uitleg van art. 16 lid 2 en art. 24 EEX naar het Hof van Justitie en schorst de procedure.