ECLI:NL:PHR:2001:AB0807
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over uitleg koopovereenkomst en stuiting verjaring bij bodemvervuiling benzinestation
Partijen sloten op 22 maart 1990 een koopovereenkomst voor een benzinestation met een ontbindende voorwaarde inzake bodemvervuiling. De koper stelde dat de overeenkomst ontbonden kon worden indien vóór 1 mei 1990 bodemvervuiling werd vastgesteld die saneringsmaatregelen vereiste. Na vaststelling van vervuiling sloten partijen op 4 mei 1990 een nadere overeenkomst waarin werd bepaald dat de kosten van vervolgonderzoeken en sanering voor rekening van de verkoper zouden zijn.
De koper werd later in privé-rechtspositie voortgezet door de directeur van de vennootschap. Er ontstond discussie over de uitleg van de opschortende voorwaarde in de nadere overeenkomst, met name of de termijn voor ontbinding werd verlengd of dat de ontbinding reeds was ingeroepen. Het hof oordeelde dat de opschortende voorwaarde de termijn verlengde en dat de koopovereenkomst van kracht bleef. Tevens oordeelde het hof dat de verjaring van de nakomingsvordering was gestuit door een brief van een notarieel medewerkster.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof omdat het oordeel over stuiting van de verjaring op onjuiste feitelijke gronden is gebaseerd en de brief niet ondubbelzinnig een voorbehoud van nakoming inhoudt. Ook oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bewijsaanbod over onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst is gepasseerd. De zaak wordt verwezen voor nadere behandeling, met name over de vraag of de verjaring door erkenning is gestuit.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nadere behandeling over de stuiting van de verjaring.