ECLI:NL:PHR:2001:AB0809
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing omgangsregeling vader met kind wegens belang kind
De zaak betreft een verzoek van de biologische vader tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn kind, nadat de moeder de omgang had stopgezet. De vader had eerder een omgangsregeling gehad tot april 1998. De rechtbank had het recht op omgang voor een jaar ontzegd en de moeder een informatieplicht opgelegd. Het hof vernietigde deze ontzegging, maar wees het verzoek tot omgang af vanwege de vijandige houding van de moeder en het belang van het kind.
De Hoge Raad oordeelt dat het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking tussen vader en kind slechts relevant is voor de ontvankelijkheid, niet doorslaggevend voor het vaststellen van omgang. Het belang van het kind moet worden beoordeeld naar de omstandigheden tijdens de procedure. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de spanningen en loyaliteitsconflicten die een omgangsregeling met zich meebrengt, het belang van het kind schaden.
Ook het subsidiaire verzoek tot proefcontacten op neutraal terrein werd niet expliciet in het dictum opgenomen, maar het hof kan dit verzuim herstellen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde begeleide omgang na een rustperiode, wat het hof heeft gevolgd. De Hoge Raad verklaart het beroep van de vader grotendeels ongegrond en niet-ontvankelijk voor het subsidiaire verzoek.
Uitkomst: Het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling wordt afgewezen wegens het belang van het kind.