Uitspraak
10 juni 1994.
Hoge Raad
De man verzocht de rechtbank om de alimentatieverplichting jegens de vrouw per 1 oktober 1992 op nihil te stellen en de achterstallige alimentatie kwijt te schelden of te verminderen tot het daadwerkelijk betaalde bedrag. De rechtbank wees dit verzoek af. In hoger beroep stelde de man dat hij door arbeidsongeschiktheid niet in staat was de achterstallige bedragen te voldoen en dat de vrouw samenleefde als ware zij gehuwd, waardoor de onderhoudsplicht zou zijn geëindigd. Het hof stond toe dat de man bewijs leverde van het samenwonen en na getuigenverhoor kwamen partijen tot overeenstemming dat de onderhoudsplicht per 1 juli 1992 was geëindigd vanwege het samenwonen als gehuwd. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en verklaarde voor recht dat de onderhoudsplicht op die datum was geëindigd, waarbij elke partij de eigen proceskosten droeg.
De man klaagde in cassatie dat het hof niet had beslist over zijn verzoek tot kwijtschelding van de achterstallige alimentatie. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht gegrond was maar dat alsnog aan het hof kon worden verzocht hierover te oordelen. Op grond van artikel 399 Rv Pro in verbinding met artikel 426 lid 4 Rv Pro werd de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Ook werd de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de tussenbeschikking van het hof. De Hoge Raad compenseerde de kosten van het cassatiegeding zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: De man wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.