ECLI:NL:PHR:2001:AB1207
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aansprakelijkheid leider vaste inrichting buitenlandse vennootschap voor rijksbelastingen
In deze zaak gaat het om de aansprakelijkheid van de leider van de Nederlandse vaste inrichting van de buitenlandse vennootschap Home-Choice Inc. voor niet-betaalde omzet- en loonbelasting. Home-Choice Inc. was statutair gevestigd in Delaware, VS, maar had alle bedrijfsactiviteiten en feitelijke leiding in Nederland. De Ontvanger stelde [verweerder] aansprakelijk op grond van art. 33, lid 1, onderdeel b, Invorderingswet 1990 (Inv.), dat betrekking heeft op leiders van vaste inrichtingen van niet in Nederland gevestigde lichamen.
De Rechtbank Zutphen en het Hof Arnhem oordeelden dat Home-Choice Inc. niet in Nederland gevestigd was en dat art. 33 van Pro toepassing was. De Hoge Raad stelt echter dat het begrip 'vestiging' in art. 33 Inv Pro. materieel moet worden uitgelegd, overeenkomstig art. 4 AWR Pro en internationale belastingregels. Dit betekent dat de feitelijke plaats van leiding en bedrijfsactiviteiten doorslaggevend is. Omdat Home-Choice Inc. feitelijk in Nederland was gevestigd, is art. 33 niet Pro van toepassing en moet art. 36 Inv Pro. (bestuurdersaansprakelijkheid) worden toegepast.
Daarnaast bespreekt de Hoge Raad de verhouding tussen art. 33 en Pro art. 36 Inv Pro., de betekenis van de Leidraad Invordering, het gelijkheidsbeginsel, en de rechtsbescherming van aansprakelijk gestelden. Ook wordt ingegaan op de mogelijkheid van ambtshalve toepassing van art. 36 Inv Pro. en op de verjaring van de aansprakelijkstelling. De conclusie is dat de Ontvanger de verkeerde rechtsgrondslag heeft gekozen en dat [verweerder] terecht niet aansprakelijk is gehouden op grond van art. 33 Inv Pro., maar dat art. 36 Inv Pro. van toepassing is. Een nieuwe aansprakelijkstelling op grond van art. 36 Inv Pro. is procedureel mogelijk, maar kan door verjaring zijn belemmerd.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de Ontvanger de verkeerde rechtsgrondslag gebruikte en dat art. 36 Invorderingswet van toepassing is in plaats van art. 33.