ECLI:NL:PHR:2003:AF3063
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bestuurders buitenlandse vennootschap voor belastingschulden en bevoegdheid invordering
In deze zaak stond centraal of de formeel en feitelijk bestuurders van een buitenlandse vennootschap aansprakelijk kunnen worden gesteld voor onbetaalde loonheffingen en omzetbelasting.
De vennootschap was failliet verklaard en de Belastingdienst had naheffingsaanslagen opgelegd die onbetaald bleven. De ontvanger stelde de bestuurders aansprakelijk, wat zij betwistten met onder meer een beroep op de relatieve bevoegdheid van de ontvanger en het ontbreken van onbehoorlijk bestuur.
De rechtbank oordeelde dat de ontvanger bevoegd was en stelde de bestuurders aansprakelijk, waarbij de formeel bestuurder werd veroordeeld wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het hof bevestigde dit oordeel en stelde dat de nieuwe wettelijke bepaling over bevoegdheid ook in lopende procedures van toepassing is.
De Hoge Raad verwierp de cassatieberoepen en bevestigde dat de ontvanger op grond van eigen opgaven mocht aannemen dat de onderneming in de vestigingsplaats was gevestigd. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het niet betalen van belasting aan de bestuurders te wijten was, mede gelet op onverantwoorde investeringen, en dat het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en het EVRM geen toepassing vond op de onmiddellijke werking van de nieuwe wet.
De aansprakelijkheid van de bestuurders werd bevestigd en de ontvanger werd geacht bevoegd te zijn tot invordering.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de aansprakelijkheid van de bestuurders en de bevoegdheid van de ontvanger tot invordering ondanks lopende procedure.