ECLI:NL:PHR:2001:AB1516

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01550/99 E
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 Wet op de bedrijfsorganisatieArt. 2 Richtlijn 92/102/EEG
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid tot regelgeving bij identificatie en registratie van runderen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij een rechtspersoon een voorwaardelijke geldboete kreeg opgelegd wegens overtreding van een voorschrift krachtens artikel 93 van Pro de Wet op de bedrijfsorganisatie, namelijk het niet-oormerken van runderen.

Het middel van cassatie betrof de stelling dat het verbod in de Verordening identificatie en registratie runderen 1991 onverbindend zou zijn omdat het niet was gesteld door de bevoegde autoriteit zoals bedoeld in artikel 2 onder Pro d van richtlijn 92/102/EEG. De Hoge Raad overweegt dat deze definitie niet ziet op een regelgevende autoriteit en dat de bevoegdheid tot het stellen van regels aan het Landbouwschap is overgedragen krachtens artikel 93, tweede lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie.

Hoewel de overdracht van bevoegdheid niet strikt in medebewind plaatsvond maar in 'indirect medebewind', doet dit niet af aan de verbindendheid van het verbod. Het middel faalt daarom. De Hoge Raad wijst voorts op een verbeterde kwalificatie van het feit, namelijk overtreding van een voorschrift krachtens artikel 93 van Pro de Wet op de bedrijfsorganisatie, veertien maal gepleegd. Vernietiging van de strafoplegging wordt achterwege gelaten wegens gebrek aan belang.

Deze conclusie leidt tot vernietiging van het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de kwalificatie, met verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verordening blijft verbindend; alleen de kwalificatie wordt verbeterd.

Conclusie

Mr Jörg
Nr. 01550/99 E
Zitting 12 december 2000
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Aan verzoekster is door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 21 oktober 1999 een geldboete van ƒ250 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, opgelegd wegens "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 93 van Pro de Wet op de bedrijfsorganisatie, begaan door een rechtspersoon". Het gaat om het niet oormerken van runderen.
2. Namens verzoekster heeft mr J.C.B.C. Geerts, advocaat te Rosmalen, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat het - krachtens art. 93 van Pro de Wet op de bedrijfsorganisatie gestelde - verbod in art. 4 van Pro de Verordening identificatie en registratie runderen 1991 van het Landbouwschap (verder te noemen de Verordening) onverbindend is, omdat dit verbod ten onrechte niet is gesteld door de bevoegde autoriteit als bedoeld in art. 2 onder Pro d van richtlijn nr. 92/102/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen van 26 november 1992 met betrekking tot de identificatie en registratie van dieren (PbEG L355)(Verder te noemen de Richtlijn).
4. Art. 2 aanhef Pro en onder d van de Richtlijn luidt:
"In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a)...
b)...
c)...
d) bevoegde autoriteit: de centrale autoriteit van een Lid-Staat die bevoegd is om de veterinaire controles uit te voeren, of elke autoriteit waaraan zij deze bevoegdheid heeft overgedragen met het oog op de uitvoering van deze richtlijn.
e)...
5. Deze definitiebepaling spreekt dus niet over een regelgevende autoriteit. Van onverbindendheid van de Verordening wegens het niet voldaan zijn aan art. 2 onder Pro d van de Richtlijn is dan ook geen sprake.
6. In de toelichting op het middel wordt voorts nog gesteld dat de regels slechts gegeven hadden mogen worden krachtens door de Minister gevorderd medebewind en dat van een dergelijke overdracht van regelgevende bevoegdheid aan het Landbouwschap geen sprake is geweest.
7. Daar valt over te twisten, hetgeen ik derhalve bij deze ook doe. In art. 93, tweede lid, Wet op de bedrijfsorganisatie wordt de bevoegdheid tot regeling dan wel nadere regelgeving van een aantal onderwerpen, waar onder meer de registratie en identificatie van runderen onder vallen, aan het bedrijfslichaam, in casu het Landbouwschap, overgedragen. Het Landbouwschap heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt om de Verordening aan te passen aan de Richtlijn. Dat dit strikt genomen niet geschiedde in medebewind doch in "indirect medebewind" doet aan de verbindendheid van het in de Verordening neergelegde verbod niet af. In het in de toelichting weergegeven citaat van de Minister van Sociale Zaken omtrent het onderscheid "medebewind" en "indirect medebewind" wordt dan ook niet gerept van onbevoegde regelgeving.
8. Het middel faalt derhalve.
9. Ambtshalve wil ik nog de aandacht vestigen op het volgende. De kwalificatie dient mijns inziens als volgt te luiden: "Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 93 van Pro de Wet op de bedrijfsorganisatie, begaan door een rechtspersoon, veertien maal gepleegd". Uw Raad kan de kwalificatie zelf verbeteren. Vernietiging voor wat betreft de strafoplegging kan achterwege blijven, omdat verzoekster bij zodanige vernietiging duidelijk geen belang heeft (vgl. HR 8 juli 1994, DD 94.422).
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de kwalificatie, met vermelding van de verbeterde kwalificatie, en met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG